RSS feed
2018

2015

Vrijdag 5 juni 2015, blogpost van Jaap: Valpartij

En toen zat het er al weer op. Het voelt alsof we nog maar nauwelijks begonnen zijn, pas net uit Valencia weggereden en we staan al aan het strand van Biarritz, 950 km en 7 Pyreneeën cols verder. 7 bike dudes, in een wereld vol surf dudes. We vallen in ieder geval op, denken we, maar iets zegt me dat we niet helemaal op onze plaats zijn. We eten een ijsje aan het strand (het eerste in lange tijd, heel Spanje doorgereden en haast nergens ijs, onvoorstelbaar) en kijken vanaf de boulevard over het strand uit. Op dat strand speelt zich een heel ander leven af, het leven van onze puberende en jong volwassenkinderen. We zijn toeschouwers van een spel waarvan de spelers geen benul hebben van de toeschouwers. Het strand is de spiegel die toont dat we toch geen jonge goden zijn, ondanks ons heldhaftige geploeter. Bij de ijscokar vraagt een leeftijdgenoot waar we vandaan komen. “Valence, c’est impressionant!” We houden ons vast aan deze laatste glimp van onze illusie. 7 dudes? We vertrokken toch met 8 fietsers? Klopt, maar afgelopen dinsdag was er een klein valpartijtje. We spraken af dat we er niet over zouden vertellen in onze blogs om het verzamelde thuisfront niet ongerust te maken. Waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen, zei Wittgenstein al. In de eerste steile haarspeldbocht van de afdaling van de Bonaigua kreeg Cornelis een klapband. Hij stond bijna stil, zeiden de jongens die het zagen gebeuren, ging niet harder dan 6 km/u, maar viel toch akelig, op zn helm. Even de weg kwijt, niet lekker, met de ambulance naar het ziekenhuis met neef Onno. Daar blijkt het gelukkig allemaal mee te vallen, lichte hersenschudding. Verder een scheve nek, maar die had hij al dus dat telde niet. Met de schrik, en een enorme kraag om zn nek, vrij. In het hotel s avonds aan het diner is de gebruikelijke jolijt een beetje weg. Schrik en opluchting wisselen elkaar af. Dit had veel erger af kunnen lopen. Een geluk dat het in de eerste bocht gebeurde, toen Cornelis kennelijk nog geen vaart had. Ook deze dagen denderen we af en toe met 70 km/u naar beneden, als je dan een klapband krijgt klapt er wel meer dan de band alleen. Maar het gevoel van naar beneden suizen is zo fantastisch, je ligt plat op je fiets, voelt de zwaartekracht steeds harder trekken, ziet je tellertje oplopen tot boven de 70. Je waant je fysiek onaantastbaar, de sensatie van het dalen verdringt ieder inzicht dat het lichaam eigenlijk niets kan hebben. Tot de val van Cornelis ons wakker schudt. Beelden van verschrikkelijke valpartijen in de Tour komen langs. En onlangs het huiveringwekkende beeld van de Italiaanse wielrenner in de Giro die op het wegdek ligt met zn arm verkeerd om aan zn schouder, nadat hij in de sprint met zn hoofd tegen de telelens van een toeschouwer is geklapt en met 60 km/ is gevallen. Waar zijn we in hemelsnaam mee bezig? Al 6 jaar knallen we de bergen op (denken we) en af (zeker) en nog steeds, zelfs nu, is het geluk met ons. Ruim 5.700 km door Europa gefietst en ongedeerd. Dit is mijn grootste angst, ieder jaar weer, dat er toch een keer iets helemaal fout gaat en de onschuld van ons plezier voor goed in duigen valt. Iets zoals Bert Wagendorp in Ventoux beschrijft. Ik moet er niet aan denken. Een keer eerder vloog iemand  uit de bocht, de fiets bleef hangen in de boom, de fietser meters lager, met alleen wat schrammen. Hij daalt tegenwoordig ook iets rustiger, niet meer zo hard als ie kan. We werden in de slotetappe gister bij de afdaling van de Marie Blanc ingehaald door een wielrenner die ongenadig hard van de berg af fietste en na elke bocht nog eens even aanzette. Niemand had behoefte te proberen in de buurt te blijven. De illusie van onkwetsbaarheid is definitief voorbij. Niet dat het het echt veel uitmaakt dat je met 60 km/u onderuit gaat ipv 70, maar de illusie van onkwetsbaarheid is ingeruild voor die van voorzichtigheid en maat houden. Het blijft wielrennen per slot van rekening meneer Nietzsche. En Cornelis? Cornelis bleef de rest van de week bij de groep, reed mee met Bert in de bus, hielp met de lunch en had plezier met en om ons geworstel op de bergen. Het moet zwaar zijn geweest, niet alleen fysiek, toch niet lekker, moe, en dan ons zien genieten van het zwoegen, de prestatie, het samen afzien. Meer dan de hersenschudding moet dat een last zijn geweest, maar Cornelis bleef bewonderenswaardig goedgemutst, bleef volledig deel van de groep. Aan het diner donderdagavond had hij weer een prachtig verhaal, typisch Cornelis. De man die elk jaar nauwgezet onze route uit zet, van te voren uitrekent hoeveel hoogtemeters we zullen fietsen en zelfs hoe hard we zullen gaan. Dankzij Cornelis hoeven we elk jaar alleen maar op te stappen en te fietsen, de prestatie is al in twee cijfers achter de komma bekend. En vast al bezig met de route van volgend jaar. We kunnen niet wachten, er zijn nog zoveel fiets-illusies om te koesteren en zoveel ervaringen uit het werkelijke leven om met elkaar te delen. En nog zoveel fietsen voor anderen om bij elkaar te fietsen. Dank weer voor uw steun!

Vrijdag 5 juni 2015, blogpost van Fred

Lezer, weet u het nog? Waar was u op de 5e juni 1975, de dag dat Zoetemelk een Touretappe won en een Nederlandse equipe furore maakte? De wielerwereld zou daarna nooit, nooit meer hetzelfde zijn. Het was het begin van de gouden eeuw van het Nederlandse wielrennen. Die ene wedstrijd, de special edition Tour de France 1975. En die roemruchte etappe Valencia-Biarritz. Daar werd wielerhistorie geschreven. Theo Koomen: ‘dit is ongelooooooooflijk, dit is nog nooooooit vertoond, kijkers, grijp uw buurman vast, knijp hem, want u bent erbij geweest’.
Het begon rustig. Een etappe van zo’n ouderwetse tourafstand van koud 975 km. Het toen nog militaire vliegveld zag onder de wielermanschappen een team met vreemde kenmerken. Er ging een vreemd, wittig goedje in de broeken. En merkwaardig repen, met een dito wit laagje. Ze waren extreem getalenteerd, dat zag zelfs Lola Puig i Cadalfach die het team F4F, gehuld in shirts waarop in flamboyante letterkrullen de naam Chasseur des Cols was geborduurd, wegkuste. De blonde Moser, opvallend lang, gespierd en vooral gecoiffeerd, die de jonge donker Italiaan Francesco ruimschoots in de schaduw zette, zag in die Lola ook talent, maar een ander talent. In zijn ploeg een ware Flandrien, ene Noud, verder een meesterknecht Cornelis De Neus (met de neus en ook de stijl van Coppi), een dulle stoemper Barendrecht (voor al uw kopwerk), Onno ‘de Bom’ en Joost ‘de draaier’, vermaard om zijn rouleren. En last nut nog least de matadoren die het in Spanje en Zuid-Frankrijk moeten afmaken: Jaap, kopman met een kop en Fred, kopman twee: een grimpeur avec humeur. Kortom, een jonge, veelbelovende ploeg.
In het zinderende hitte weggeschoten peloton viel Onno in het startschot. De eerste demarrage, zo krachtig dat Mercx, Zoetemelk en van Impe elkaar elkaars blik zochten. Wat heeft deze gebruikt wat Thévenet nog niet kende. Thévenet zelf kijkt wild in de camera, het schuim van zijn mond poetsend, nu de cocktail al begint te werken. Onno is daarna niet meer gezien. Niet wordt uitgesloten dat hij de eerste olijfboom uitzocht voor een dutje, uitgeput, moegestreden door zijn explosie. Terwijl de Gan Merciers zich naar voren drongen, nam Noud de kop. Deze fietsende Dutch Windmill maalde wijdbeens tegen de wind, zo hard en onverschrokken dat de Kas-ploeg – van het rode drankje – de Stier, de Stier lieten en Spaans bescheiden zich aansloten in de siddering die door het peloton ging. De eerste berg, de col de …., is nooit bemerkt. De wedstrijdleiding, de verzamelde pers redden het domweg niet, opeengepakt in hun Franse auto’s vol luxe, zonder kracht. Alleen Theo Koomen wist commentaar te geven. ‘kijk, nou toch eens, jongens, kijk nou toch eens, de Neus die het peloton fietsles geeft, die zelfs vlieggewicht Lucien ‘de vlo’ van Impe doet kraken. Allemaaaachtig, wat gebeurt hier nu al.’
Een peloton, of wat daar van over was bereikte in luttele uren de voet van de Bonaigua, de Col de Ouverture voor de Pyreneeënkoers. Een langzaam monster, want meer dan 20 km, steeds steiler. Mercx keek naar van Impe, van Impe naar Zoetemelk, Zoetemelk naar Gimondi, die in de leegte keek. Verbijstering werd zichtbaar in het peloton toen de blonde Moser van F4F ontsnapte zoals Hannibal het in de Alpen zou hebben gedaan. Fier en koen. Wat was dit voor ploeg, deze F4F, wat was dat voor verdacht Goed Doel, waar zij voor fietsten? Wie doet dat trouwens, je fietst toch voor eeuwige roem? Dat, precies dàt was wat door het hoofd van de Blonde Moser, ook wel Peter genaamd, stroomde. En het onbegrepen ‘effe lekker, jongens’, dat nog nagalmde in het steeds bleker ziend peloton. De Molteni’s in hun iets minder mooie shirts dan die van de Chasseurs, gingen nu zelf in de jacht. Zij slaagden, maar waren onvoorbereid op een nakende Pyrrhus. Na de Bonaigua nam de stilist van het gezelschap, Jaap ‘met de kop’, zo krachtig en toch perfect stil zittend het initiatief, met een verzet dat het begrip ‘verzet’ voor eeuwig zou veranderen. Men zegt 56 x 13, bergop! Anderen spreken over een ‘electromoteur’ ontwikkeld door een Nederlandse sportuniversiteit. Theo Koomen schalde in zijn vochtig geworden microfoon superlatieven over de slag van de drie cols (Portillon, Peyresourde en Aspin) als ware het Alexander die Alexandrië, Rome en Constantinopel op één dag verovert. Opvallend details voor de vrouwelijke supporters: ondanks de snelheid bleef zijn haar goed zitten. Alsof de mecanicien het vet ook voor het raderwerk daarboven had benut. Klasse, stijl, de superatleet: je zag een machine met zuigers, cilinders, trekstangen. De zwijgende kracht van een Hollands gemaal. Op de Aspin keek hij pas om, in de paniekerende gezichten van wat als wielerelite werd versleten. Zij waren gedeklasseerd tot volgelingen, die deze Chasseur nog maar net kónden volgen. De jongelingen Moser en Kuiper vreesden hun toekomst. En het ergste moest nog komen.
De Tourmalet en Aubisque zijn monumenten. Goddet brak het zweet uit in de volgauto. Die F4F. Gaan zij die reputatie vermorzelen? Wėg legende, nadat hij voor de oorlog was uitgemaakt voor moordenaar, toen hij de renners de Tourmalet voorschotelde, om ‘le spectacle du Tour de France’ te kruiden? Niemand was ontgaan dat in het dal daarna juist Joost ‘de draaier’ zijn kopmannen van munitie voorzag. Drank in stijlvolle flessen, trossen bananen, verse koffie en weer die vermaledijde repen in blauwe wikkel. Jaap op kop. Hij reed aan de voet van de Soulor weg of hij een boodschap moest doen. Cornelis en Noud stopten de tot dan toe als ‘vedetten van de weg’ en ‘wielergoden’ gekwalificeerde coureurs af alsof het een kudde makke schapen was. Zoetemelk zei later dat hij dacht: ‘Biarritz is nog ver’. De kleine van Impe heeft er nooit meer over gesproken. Mercx kreeg een stomp in de zij van een gefrustreerde supporter, die het niet kon velen dat de elite voor spot werd gezet.
Even leek het lot te keren. Fred, de tanige klimmer, meer Spanjaard dan Hollands, werd zwijgzaam, had een van pijn vertrokken gezicht. Felici Gimondi zag het, demarreerde en kreeg meer spijt dan ooit een gedrogeerde renner gehad moet hebben. Als bij toverslag zagen de aanstonds geslagenen een Wederopstanding. In één streep reed chasseur Fred naar zijn ploeggenoot. Zij vierden kort hun feestje. Een blik van verstandhouding was genoeg. Fred nam alvast de punten voor Tourmalet, Soulor en Aubisque op,  en reed bij de laatste – in volgens sommigen minachting, maar anderen juist eerbied voor de legendes – samen met Jaap naar de magistrale top. Hoger was er even niet in wielerland.
Voor wat er daarachter gebeurde had zelfs Theo Koomen woorden en volume tekort. De chasseurs die over waren – op Onno na –  lieten één voor één het kleurige gezelschap achter zich. Peter verzorgde zijn haar en poetste afdalend zijn fietsvoor de finishfoto. Noud checkte de route op mogelijke barrières. Maurits deed aan fietsdenken, en schijnt een artikel te hebben geschreven over ‘Recht en krom in wielerland’. Alleen Joost liet zich geheel terugzakken, om de Rode Lantaarn te kunnen opeisen (later als drone waargenomen rond Rotterdam). En dan Cornelis. Hij liet zich in een afdaling vanuit stilstand vallen, om de zegetocht van F4F ook een schaduwzijde te geven, voor het Grote Publiek. Toen de berglucht was overgegaan in hooilucht en die weer vervangen door de geur van de zee, was het gedaan. Biarritz hing over de hekken, turend in de verte. Maar er kwam van alles behalve de twee matadoren van F4F. Een totaal ontredderde Joop Zoetemelk ging per ongeluk als eerste over de finish – de hoofdschuddende ‘kannibaal’ Mercx  had hem over het hoofd gezien. De jonge goden van F4F bleken via een omweg aan zee te zijn gestrand. Zij namen en ijsje en polshoogte van het thuisfront. Hun tijd kwam nog wel. Alleen Joost haalde de rode trui op, want je weet maar nooit.
Zo kon Zoetemelk winnen, werden moeizaam verworven reputaties gebroken door een groep Hollandse Nieuwe die dat jaar niet vet maar wel voortreffelijk was. Theo Koomen sprak ook over ‘jonge goden, legendes van een dag, jagers met vergulde geweren’ en andere onnavolgbare taal.
Het is nu, decennia later, wielergeschiedenis. Er blijkt een groepje vijftigers, op zoek naar lieu de memoire, dezelfde tocht te hebben verreden. Er gaan verhalen, over lijden, kameraadschap en geluk. Maar er is geen Theo Koomen om ze u naar waarheid te vertellen. Mooi is het wel.

Naschrift: in de Tour van 1975 won Joop Zoetemelk de Pyreneeën-etappe. Uiteindelijk won Thévenet onder verdachte omstandigheden en nadat Mercx in een etappe was aangevallen door een supporter. Gimondi moest de koers verlaten vanwege doping. Het jongerenklassement werd door Francesco Moser gewonnen. Hennie Kuiper eindigde net achter hem. De Tourstart was dat jaar in Charleroi, waar wij vandaag met F4F landden. En in welke vlucht dit ‘blog’ werd geschreven.

Vrijdag 5 juni 2015, blogpost van Cornelis: statistieken dag 8

  • Afstand 145 km
  • Gemiddelde snelheid: 21,9km/uur
  • Hoogtemeters 1606
  • Aantal meters gedaald 2089

Donderdag 4 juni 2015, blogpost van Cornelis: de statistieken

  • Afstand 109km
  • Gemiddelde snelheid: 19,6km/uur
  • Hoogtemeters  2582
  • Aantal meters gedaald 3107

Donderdag 4 juni 2015, blogpost van Fred: La Légende du F4F

We hebben België , Luxemburg, Zwitserland, Italië, Griekenland en Spanje doorkruist. Zonder uitzondering, mooi, schitterend zelfs en ieder in ons gezelschap heeft zo zijn favoriete tochtje. Maar vandaag vierden we toch het wielerland bij uitstek: Frankrijk. Al werden we soms hinderlijk weggetoeterd door Franse automobilisten. Maar wat een land, mensen. Het is bijna als met de gezongen aarde van de Aboriginals: er ligt zoveel meer betekenis in het landschap, dan zo op het oog lijkt. En die verhalen: een landschap vol fietsherinnering. Vol – even chique – lieu de memoire voor de fietsgek. F4F is synoniem met fietsgekken.Maar voor ik wijsneuzig begin te worden even wat beelden.
Na het ontbijt stond de Tourmalet op het menu. Aan de voet staat in St Marie du Campan een beeld van een man die trots een smeedijzer toont. Een dorpssmid? Nee, Eugėne Christophe die in een etappe van 362 km (driehonderdtweeenzestig!) zijn frame brak, de berg 10 km afliep en zijn eigen frame smeedde. Hij mocht niet geholpen worden.Tekst: ‘Ice, l’histoire à forgé la légende du Tour de France’. Een standbeeld, een tekst en er is geschiedenis. Destijds steeds door onverbeterlijke commentator Jean Nelissen op TV herhaald! Zo doen Fransen dat. Verhalen maken. Maar het blijft niettemin een monster, die Tourmalet. Met van kilometer 5 tot 17 stijgingspercentages van boven de 8%.
In eerbiedige stilte kruipen wij op onze niet-gesmede velo’s. Voorzichtig, want ik voel me niet top door wat intestinaal ongenoegen. Nog even rijden Onno en Peter vooruit. Dan komen Jaap en ik op inmiddels voorspelbare wijze langszij. Ik voel de moordenaar onder mijn wielen (ooit werd de Tourdirectie ervan beschuldigd een bende moordenaars te zijn, toen ze deze col in het parcours opnamen: alweer een légende de Grand Tour de France). We zweten en puffen. Gaan we samen door? Het spel is begonnen, want ook als we samen door gaan komen we toch vaak alleen aan. Zo gebeurde in Mongie. Verwarring over de route. Ik draai mijn stuur om het de gewone citoyen te vragen… Is Jaap al doorgesjeesd. Wat nu? Een vluchter achterhalen op een moordende berg?Ik roep nog: ga je door? En zie dat zijn benen JA! zeggen. Hij versnelt. Ben ik sterk genoeg? Een achtervolging begint, terwijl de pracht van de Pyreneeën zich verder opent. Blijf draaien. Niet schakelen. Drink. Hijgende hitte. Kom op. Je kunt het! Enfin, 100 dingen flitsen door mijn bezwete hoofd. Ik rijd over plakkend asfalt, over paardenvijgen, over een dood puttertje en voel mijn krachten…terugkomen! Langzaam nader ik het Chasseur des Cols shirt. Stilist Jaap maalt krachtig, zit stil. Maar ik zie ook dat Jaap lijdt. Warmte! Ik passeer. We zeggen niks. En dan: historie à forgé la légende du F4F. Ik zet even aan, ben los, voel de heerlijke spanning in mijn beenspieren en juich een stuk weg omhoog. Vier bochten verder roep ik Bernadette van Lourdes even te hulp. Even verder is er al geen heilige meer nodig. Het wegdek verraadt wielergoden met veel meer kracht dan ik: Valverde, Contador, zelfs Virenque. Op eigen kracht kom ik aan de top. Jaap zit een stuk achter me, is ondanks wat tegenslag goed doorgefietst. Krachtmens, hoor ik Jean Nelissen zeggen over deze legendarische F4F-renner. Boven is het magistraal mooi. Massieve bergen, sneeuw, groen, helderheid en…lama’s. Maar ook een hommage aan een nieuwe andere legende de la grand historie du cyclisme Francais: Jacques Goddet. Vlak naast het tentje waar ik niet naar het toilet mag.
De afdaling: groots en meeslepend. Op naar de Soulor en Aubisque: bergen waar legendes werden geboren en reputaties braken. Maar niet van ons, denk je dan. Maurits, Joost, Onno, Noud, Peter, Jaap en ik trekken ten strijde. Een groot stuk wegdek wordt alvast voor de Tour geprepareerd. Wij rijden door plakkerige teerstenen. Maakt niet uit, dit is de mythische Soulor. Het asfalt smelt, de vogels zwijgen en wij stijgen: 8%. La légende du F4F krijgt nog meer kleur. Jaap en ik zijn snel weer samen alleen. Onno is eerder vertrokken, omdat hij… Ja, waarom eigenlijk? Achter ons horen we Noud hijgen, Peter kraken en Maurits denken: waarom?! Joost is afgehaakt om Het Verhaal dramatisch te kruiden. Mijn benen zijn nog steeds goed. Ik rijd alleen. Triomfantelijk door de natuur, de kathedralen van graniet, de lichtheid van het aardse. De temperatuur was volgens Noud boven de 40 graden. Ik voel het niet, zoals je meestal weinig voelt als je ‘goed’ bent. Achter me, in de diepte, kruipen minirennertjes. Jaap probeerde het, maar lijkt de handdoek te gooien. Te warm voor hem. Ik voel mijn lichaam nu protesteren. Longen die barsten, benen die branden; enfin, u kent de vocabulaire van de velosoof. Allemaal overdreven, maar hoe kom je anders aan légendes? Ik arriveer op de top van de col, de mythische Soulor, die overgaat in de Aubisque. Geen standbeeld van Felix Levitan, geen voor Gemiani, of een andere held. Kaal, maar wel met oranje geverfde schapen. De lama’s waren op. Jaap komt na enige tijd binnen: stuk. Het duurt daarna lang voordat de anderen één voor één binnen druppelen. Weer gered! Er is zichtbaar geleden. De zoutplekken kleuren het Chasseur des Cols shirt.
En weer door met een onvergetelijke afdeling op de flanken van het Cirque, geen circus maar een halvemaanvormige bergrand. Hier viel Wim van Est in het ravijn (en mijn Pontiac liep nog) en staat de tijd weer stil: geschiedenis, légendes du Tour de France. Maar ook wij versagen niet: er wordt geklommen naar de top van de Aubisque. Deze keer rijden Jaap en ik hem in volle triomf samen: dit moet je samen doen en beleven. Door uitgehouwen tunneltjes, langs diepe, diepe ravijnen zonder vangrail, en met een fenomenaal, wijds panorama. We bijten ons over de laatste al te steile stukken – weer steiler dan voorgespiegeld – en komen als LeMond en Hinault boven, handen zwaaiend, maar nu niet voor de pers, maar om deze magistrale tocht, door dit landschap vol herinnering en verhalen te vieren als vrienden. En voor de camera’s, ook dat. Hier viel van Est in 1951, hier won Hennie Kuiper, hier raakte Aimar buiten bewustzijn. En hier voegen wij – de vijftigers van F4F – weer een hoofdstuk toe aan onze magistrale kruistocht in wielerbroek. Het monumentale borstbeeld van de Belgische légende Lucien Buysse zag ik vanuit een ooghoek in Béost, toen wij met snelheden van boven de 50 km per uur naar beneden raasden. Een held is iemand die straffeloos onvoorzichtig is geweest, zei WF Hermans. Die kon niet weten dat ons heldendom gesierd wordt met een vette, hele vette knipoog. En dat is maar goed ook.

Donderdag 4 juni 2015, blogpost van Jaap: Fietzsche met Nietzsche

Beste meneer Nietzsche,

U heeft nogal wat teweeggebracht met uw filosofische bespiegelingen. Ik weet niet of u het zelf nog een beetje heeft gevolgd, uw werk heeft al 130 jaar tot filosofisch gedonder geleid. Misschien verbaast het u dat u ook stof tot nadenken geeft aan een groepje vrienden die voor de lol elkaar op de racefiets pijnigen op Europese bergflanken en zo een kruistocht in fietsbroek door Europa fietsen. Zo begon de brief die ik bedacht bij het beklimmen van de Tourmalet vanmorgen. Je moet toch wat, al die tijd zwoegend naar boven. Denkend bovenwaarts, voor de verandering. > Meneer Nietzsche, een van de dingen waarmee we worstelen is uw stelling dat we in het leven alles wat illusie is moeten laten varen (en als het even kan niet van de weeromstuit onverschillig, nihilistisch) worden. We hebben het er elke avond over aan het diner maar komen er nog niet goed uit. U hebt er bepaald eer in gelegd zelf een paar illusies de wereld uit te helpen. Maar wat moet een fietser daarmee? Als ik uw werk zo lees krijg ik sterk het gevoel dat u nooit op een racefiets heeft gezeten. U leefde met en bij uw gedachten, misschien minder bij het zweet uwes aanschijns. Wij normaliter ook niet, maar daarom fietsen we af en toe wat. Ik kan me goed voorstellen dat in een wereld waarin het denken de boventoon voert het loont de illusies te ontzenuwen en overboord te gooien. Maar dat is niet de wereld van het fietsen. Wij frisse 50 plussers wanen ons jonge goden. We weten dat de profs een keer zo hard, minstens, zo’n berg op fietsen, maar dat hadden wij ook gekund als we 30 jaar jonger waren. Dat helpt enorm bij het op juiste waarde schatten van de eigen prestaties, we zijn soms werkelijk onder de indruk. Fietsen gaat ook over hele kleine keuzes en dilemma’s. Zo moest ik vanochtend bij het ontbijt de vraag beantwoorden of het beter is een bord witte rijst met jam (sic!) te eten dan stokbrood van een dag oud met Nutella. Ik kan me uit dat dilemma geen weg denken en ga maar voor de illusie dat rijst met jam zo buitenissig is dat het wel erg goed moet zijn voor klimmers. En dus fiets ik nu een stuk harder. 3 km, jee Fred, dit is toch wel pittig. Nog 11 km, alles met stijgingspercentages van 8-12%. Waar was ik, oh ja. De illusies van de fietser. U bestrijdt de gedachte van een dubbele wereld, eentje die wij denken en een die er echt is, een idee dat Plato en Socrates introduceerden. Meneer, Nietzsche, in het fietsen is het nog erger. Shit, dit is steil, voel me niet zo goed als gister. Hoe lang nog? In het fietsen begint en eindigt alles met het verhaal, het verzonnene. De werkelijkheid heeft daar maar naar te voegen. Alles is illusie, alles is ook overdrijving. Zowel de glorie als het lijden. Elke situatie vraagt om een nieuw verhaal dat verklaart wat je doet. Als iemand ons inhaalt is hij een uitslover, als we iemand voorbij knallen zit ie er niet best op. En zo gaat het maar door. Met klimmen is het net zo. Alleen met illusies kom je omhoog. Ik moet volhouden, mag nu niet loslaten, ik ben sterk genoeg om dit tempo vol te houden. 8 km, vloek, spuug, fles in mn nek, het wordt te warm. Ziet u wat ik bedoel? Hoe kom je nu zonder illusies de Tourmalet op? Zelfs de bewegwijzering draagt bij aan de illusie. Onderaan de klim staat een bordje met 17 km, als je boven bent heb je er 16 gefietst, je krijgt een kilometer kado onderweg. Dat helpt! Nog 6 km, ik moet aanzetten. Waarom eigenlijk? Omdat ik als eerste boven zou kunnen komen? Is dat voldoende reden? Zonder meer als het de zwaarste berg in deze tocht is. Gister kon ik hard doorfietsen maar was het minder steil dan nu. Fred zegt dat het tussen zn oren zit vandaag, misschien kan ik wel meer pijn verdragen dan hij. Ik zet aan in La Mongie, nog 5 km te gaan. Ik kan het, ik weet het zeker denk ik. Arggh, te hard, benen lopen vol, ik rijd toch weg, ik moet Fred voor blijven. Hijg, hijg, hijg, meneer Nietzsche, zegt u nou eens wat. Kreun, piep, vloek, staan, proest, au, ik hoef nog maar 3 km. Bent u dat meneer Nietzsche? Nee, het is Fred die weer bij komt, vloek, he makker, hijg, gaat het? Ja goed zegt hij, met gepijnigd gelaat. Ik haak aan, want ik ben sterk vandaag. Ziet u de kracht van de illusie meneer Nietzsche? Zo kom je boven. Nog 2 km en daar slaat de filosoof met de hamer toe. Oi,oi,oi, de zak is leeg, te veel gegeven en Fred loopt langzaam weg. Weer een illusie armer, hebt u nou uw zin meneer Nietzsche? Nog een kilometer, doorvechten nu. Door de sneeuw links en rechts, bijna boven. Boven? Boven! Ik heb mezelf naar boven gedacht. Wat denkt u meneer Nietzsche, word je zo een beetje bovenmens? En u bent voor het eerst op de racefiets de Tourmalet op geklommen. Zeg nou zelf, dat had u toch ook nooit gedacht!

Woensdag 3 juni 2015, blogpost van Fred en Jaap: Diablog

Jaap: Fred, jij schreef onlangs een blog dat wij geen stilisten zijn. Eigenlijk zeg je daarmee dat we er niet uit zijn. Nou zeggen ze dat thuis ook, maar ondertussen doen we er toch alles aan om er juist wel goed uit te zien op de fiets. Dat moet ook volgens The Rules voor wielrenners. De hoofdregel van The Rules is: harden the fuck up. En de tweede regel: look good while you’re doing it. Zo schaffen we elk jaar een nieuw shirt aan, stapels hebben we verzameld. In welk shirt zien wij er nou het beste uit?

Fred: Jaap, laten we eerlijk zijn. Het shirt maakt de renner. Wij spelen dat we renners zijn. In de mode kan inmiddels ongeveer alles, terwijl wij nog proberen er iets van te maken. The Rules volgend. Maar kijk naar de foto’s! Mannen op leeftijd in zuurtjeskleuren. Germanen in een rosé shirt. Serieuze mannen die reclame maken voor Belkin, of – erger – de deconfitureploeg van Rabobank! Al moet ik bekennen dat één van mijn helden, de fanatieke fietser en modeontwerper Paul Smith veel inspiratie haalde uit…het wielershirt. De regenboogtrui bovenaan. En die hebben we nou net niet! Mijn favoriete shirt is toch…het zwarte De Brauw shirt. Stijlvol, met passende broek. Vooral dat! Want shirt ok, Jaap. maar wat vind jij nou van de hemeltergende combi van een blauwzwartwitte Ballast Nedambroek – ja, armoe troef dus – en een vrolijk rose Raboshirt: de vastgoedfraude in een tenue!

Jaap:  Helemaal eens over het shirt van De Brauw, zeer stijlvol zwart, her en der een rood of wit accent. Als je ons zo door het landschap ziet rouleren, of zoals vandaag op de flanken van de Pyreneeën ziet klimmen en afdalen, man daar zou het publiek, als het er was, stil van worden. Die Ballast Nedambroek heeft al veel schade opgeleverd aan tedere hoornvliezen. Snap niet dat een paar van onze makkers er nog in blijven rijden. En waar ze het allemaal niet mee combineren, oranje Rabo, roze Rabo, groene Belkin, het kan ze kennelijk niets schelen. Geldt trouwens ook voor onze meest esthetisch sensitieve  ploeggenoot Peter. Wat hij niet af en toe uit de koffer haalt? Nou kunnen wij er ook wel wat van, dat roze Rabo shirt blijft elk jaar een favoriet. Waarom zou dat zijn?

Fred: Dat rosé shirt is het Giro d’Italia shirt: dat geeft klasse en stijl op zich, ook al rijden er boerenpummels in als wij. En: rose doet het goed in de groene paradijzen waar wij doorheen jakkeren. De blikken van mannen en vrouwen , die wij voor bewondering houden, zeggen genoeg. Hoe dan ook, Jaap. We hebben een probleem. Jij en ik houden van kwaliteit en klasse. Zijn de vleesgeworden would-be coureurs. En we zijn modern. Waarom vragen we niet aan Victor&Rolf iets mànnelijks te ontwerpen voor ons? Geen truttige pakkers met corsages, maar iets strak en stijlvols. Of moeten we Maxima’s favoriet Jan Taminiau vragen een PTT-postzaktenue te ontwerpen? Wij, mannen van stand en van de wereld – althans in onze verbeelding – moeten de Roompot- en Lotto-Jumbo lelijkheid bestrijden. Zit hier een nieuwe missie in van F4F?

Jaap: Tja, Lotto Jumbo, dat is toch wel een dieptepunt van stijl. Kan me niet voorstellen dat Sven Kramer lekker in dat pak kruipt. En Steven Kruijswijk was maar wat blij met de blauwe bergtrui in de Giro, hoefde hij dat gele ding niet aan. Ik moet zeggen dat we dit jaar wel goed zijn geslaagd in ons shirt. We zochten uitgebreid naar retro shirts, daar zit toch het stijlvolle in. Een band verticaal of horizontaal, twee, maximaal drie kleuren, doorgaans ‘oude kleuren’ die je tegenwoordig niet meer tegenkomt. Ons Chasseur de Cols shirt van dit jaar voldoet volledig aan onze eisen. Wat zag dat er goed uit in Spanje de eerste dag. Blij dat we dat shirt morgen weer dragen, in de Koninginnenrit over de Tourmalet en de Aubisque. Het zal ons vleugels geven en ik vrees dat we die ook nodig zullen hebben. En nu nog even, het gaat om de details, sokken? War vind je? Klassiek wit of Armstrong zwart?

Fred: We hebben het shirt, de broek en de sokken. Die laatste moeten eigenlijk zonder uitzondering wit of in hoofdzaak wit zijn. Al moet ik bekennen ook zwarte te hebben, zeker als ik ze, zoals hier, toch meerdere dagen moet dragen. Je kunt je daar geurtechnisch wel wat bij voorstellen, maar hier gaat het om de kleur. Kortom: stijlvol zwart, shirt en broek, met witte sokken. Of zijn we zo te saai – ook als de sokken niet gewassen zijn? Dus toch een spetterend modeontwerp? Of lappen we alle conventies aan onze laars en gaan we in de meest foute Italiaanse trui, met veertig kleuren en driehonderd reclames? En daar dan onze ironische tronies bij. We lijken wel een stel vrouwen die over de garderobe praten! Dus: nu stoppen, want we moeten het tenue voor morgen nog kiezen? 😉

Jaap: Ha, we verlangen stiekems toch regelmatig naar die bizarre Italiaanse en Spaanse shirts en broeken, met reclame tot in de bilnaad.  Ik weet nog die zaterdagochtend op weg naar Florence, we klommen de laatste heuvels in de Apennijnen en de ene na de andere Italiaanse clown kwam ons op de racefiets tegemoet, in kleuren die barsten in onze brillen sprongen. Eigenlijk zouden wij dat ook wel willen, zo’n heerlijk verkeerd shirt, maar we weten natuurlijk dat het ons nog potsierlijker zou maken. Zeker thuis zouden we nog meer dan nu al de rise zijn. De illusie van onze glans in zulke pakken is simpelweg niet opgewassen tegen de realiteitszin die ons dan om de oren wordt geslagen. Wat dat betreft volgen we toch Nietzsche, die ze ook wel de filosoof met de hamer noemen. Misschien komen we die morgen op de Tourmalet wel tegen morgenochtend, hoe goed die shirts er ook uit zien.

Woensdag 3 juni 2015, blogpost van Cornelis: statistieken

Dag 6:

  • Afstand 104 km
  • Gemiddelde snelheid: 21,3 km/uur
  • Hoogtemeters 2480
  • Aantal meters gedaald 2730

Dinsdag 2 juni 2015, blogpost van Fred: Het geheim van de verdwenen berg

Wij van F4F zijn van de voorbereiding. U kent ons inmiddels. De route wordt minutieus voorbereid, de lichamen aan heftige trainingen onderworpen. En de geest heeft ook geen vrij: we lezen boeken en moeten daar – voorbereid – iets verstandigs van vinden. Augustinus, Freud, Nietzsche, Haidt, enfin name it en ze passeren de revue. En als we eenmaal en route zijn dan smeren wij onze ketting met de meest fijne olie en onze solide achterwerken met het inmiddels wijd en zijd bekende billenvet (waar de Ipad ‘bollenvelden’ van maakt). Niets wordt aan het toeval overgelaten.
Maar vandaag ging er met een berg iets goed mis. Ik kan u niet alles vertellen. Maar wat ik u wel vertel is dat…hij niet bestond. Ja, hij heet Puerto de la Bonaigua, wat zoveel wil zeggen als de pas van het goede/lekkere water. In onze keurige route, met kaartjes en vooral de onvolprezen klimprofielen van Climbbybike – een Nederlandse fanaat die alle bergen zelf fietst en met stijgingspercentages op internet zet, duizenden bergprofielen dus – stond die Bonaigua. Een klim van 23 km met per km het gemiddelde stijgingspercentage in geruststellende kleuren groen en blauw, respectievelijk 2-4% (een eitje) en 4-6% (een kuitenbijter, meer niet). Na de ochtendrit door de schitterende vallei van een rivier die ze prachtig La Noguera Pallaresa noemen, en dan ook zo mooi stroomt, volgde die Bonaigua. We volgden het bord, Onno was al weggefietst om later door de kop opgeraapt te worden en ook Cornelis had plannen. Dat is: wij konden even niet in zijn wiel blijven, want het was toch een trainingsklim? Jaap en ik keken elkaar na een blik vooruit echter verschrikt aan. Het was steiler dan gedacht. Veel steiler. Een onschuldig bord bevestigde dat: 2 km 8%. Acht procent! Dat is geen eitje of kuitenbijter, maar serieus werken. En zo ging het door. stukken van 8%, of 7, maar ook doodleuk 9% werden aangekondigd met een onuitstaanbare vanzelfsprekendheid. Niks van de vrolijke 3,5 of 4,5 of – OK, ook geen probleem – 5,5%! Onze voornemens voor deze eerste echte ‘oefencol’ lagen aan stukken. Niettemin schikten wij ons in dit lot. Want de overdaad aan schoonheid, frisheid en vergezichten doet 8% voelen als 6 (of minder). En Cornelis ging al te hard. Klimmen is vooral een mentale oefening. En zo reden Jaap en ik even later toch zonder groeten bij Cornelis vandaan. En ik van Jaap. Om te oefenen hoor. En om te ontdekken dat de top niet na 23 km lag, maar op iets van 18 km. De Bonaigua heeft ons op het verkeerde been gezet. We zullen beide benen niettemin hard nodig hebben de komende dagen. Mijn voorbereiding vereist dan ook dat ik dit blog voor sluitingstijd 00.30 uur naar u verstuur. Wens ons maar veel sterkte. En doneer en schrijf via onze website, zodat anderen gewoon op het vlakke een leven bij elkaar kunnen fietsen. Bon nuit.

Dinsdag 2 juni 2015, blogpost van Jaap: En nu gaat het beginnen

Dag 5 alweer van onze tocht, we hebben er ruim 600 km op zitten, en nu komt het echte werk. Er is natuurlijk al heel wat afgeklommen, maar vandaag gaat het voor het eerst gebeuren. We staan aan de voet van de Pyreneeën, af en toe zagen we al een glimp gister van een witte vlek hoog in de bergen ver weg. Vandaag een voorproefje, over de Bonaigua, waarvan de top op 2.072 mtr ligt. 1.000 mtr stijgen in een ruk, dat is andere koek. De herinneringen gaan terug naar de Alpen, onze tweede tocht. De Sustenpas en de Oberalp achter elkaar aan, 2x meer dan 20 km klimmen. Daar hebben we allemaal wel een jasje uitgedaan. Of de Splugenpas, direct na het ontbijt. Zo zal het hier ook gaan, wat we tot nu toe klommen was Spielerei. De etappe van vandaag staat geheel in het teken van die ene berg die we over moeten. De eerste 75 km gaat het op en neer maar per saldo steeds een beetje op. We fietsen in een mooi gelid, Fred en ik houden op kop een keurig herentempo aan. Aan het gekeuvel achter ons merken we dat dit goed valt. De gesprekken gaan over van alles en nog wat, iedereen is tevreden dat er eens niet wordt gejakkerd. Bij de koffie bedankt Maurits ons als zijn liefste fietsvrienden als we zo op kop rijden. Cornelis trekt de volgende 20 km naar de lunch van Bert, 5 km voordat de klim begint. Iedereen is in goede doen, er wordt honderd uit gesproken en gelachen, de klim is er wel in onze beleving, er wordt vooral geconcentreerd gegeten, maar bezwaart ons gemoed niet. We stappen weer op en na een paar km verschijnt het bord 8%. Dat veroorzaakt verwarring, in het hoogteprofiel dat Cornelis voor elke etappe maakt stond die 8% niet, max 7%. Maar hier staat het, 8% over de eerste twee km. Cornelis zet niettemin goed aan, Fred en ik passen even, dit is een trainingsbeklimming houden we elkaar voor om te rechtvaardigen dat we Cornelis niet bijhouden. Die komt wel tot inkeer en zo zijn we er snel uit dat we toch echt het goede tempo aanhouden. In de wielerwereld is voor elke situatie een steekhoudend verhaal te verzinnen, de hele wielerwereld is eigenlijk een groot verhaal en wij verzinnen ons eigen stukje erbij. Na bijna 2 km zien we in de een nieuw bord, stijging zal nu wel afnemen. Maar nee: 9%! Zitten we wel op de goede berg? Was het profiel van de andere kant? Hoe erg gaat dit worden? Ondertussen duwt Cornelis gewoon door voor ons. Heel langzaam komen we dichterbij en dan fietsen we een tijd met ins drieën. We halen Onno in, die na de lunch vast vooruit was gefietst. Fred gaat maar eens staan, denk om billen en spieren wat te ontspannen, maar gevolg is dat het tempo omhoog gaat. Ik ga mee, maar Cornelis niet. Langzaam rijden we weg. Na een tijdje herinneren we ons weer dat het een trainingsklim was en laten we het tempo wat zakken. Maar Fred traint in de bergen gewoon wat harder dan ik. Hij krijgt het tempo niet echt omlaag, wat mij goed lukt. Langzaam rijdt hij van me weg, sterk weer. Het verschil tussen de duursporter die echt inhoud heeft en een krabbelende sprinter die zich omhoog bijt maar waarvan de bezinetank na zoveel km klimmen  gewoon leeg raakt. Maar t gaat niet slecht, ik blijf weg van het Verste Rekpunt, raak niet op en geniet als een klein jochie van de geweldige wereld om me heen. Vlak onder de top ligt sneeuw, paarden grazen langs de weg en steken pardoes over als Noud later voorbij komt. En toen waren we boven, viel alles mee. En geen spookweer, mooi zonnetje, beetje wind, en dan een lange afdaling, 22 km naar Vielha. Op sommige stukken kun je heel hard, recht naar beneden, zonder bocht, maar we houden ons in. En af en toe zo’n tegenwind dat we hard moeten trappen om boven de 30 uit te komen. Het kan niet schelen, de eerst echte klim was goed, we kwamen allemaal goed boven. Laat de rest maar komen, denken we nu nog.