RSS feed
2018

2018

12 augustus, Sempre caro mi fu, door Jaap

Zo begint het beroemdste Italiaanse gedicht, zeg maar the nr 1 Italian poem zoals je in Noorwegen een aantal nr 1 salmon rivers of Norway hebt, L’ infinito van Giacomo Leopardi. Alle Italiaanse schoolgaande kinderen moeten het uit het hoofd leren. Hij schreef het hier in Recanati, wij liepen vanmorgen het Palazzo binnen waar de grafelijke familie Leopardi woonde en nog blijkt te wonen en liepen om de heuvel die hij in het gedicht beschrijft. Giacomo moest met zn broers en zussen dagelijks urenlang studeren onder het regime van zijn vader Monaldo, nogal een dwingeland. Hij sprak op zn tiende vloeiend Grieks, Latijn en Hebreeuws, en waarschijnlijk nog zo wat talen. Kende alle klassieken door en door en begon daarna zelf te schrijven en te dichten. Fysiek zwak, op het kreupele af, bijna blind en voortdurend last van zn ingewanden. Hij stierf in Napels, 38 jaar oud. L’infinito is het hoogtepunt van zijn werk en Recanati is vandaag de dag nog steeds vol van haar grootse dichter en zijn nr 1 poem of Italy. L’ infinito dus, daar gaat ie:

Sempre caro mi fu quest’ ermo colle,

E questa siepe che da tante parte

Dell’ultimo orrizonte il guardo esclude.

Ma sedendo e mirando, interminati

Spazi di la da quella, e sovrumani

Silenzi, e profundissima quiete

Io nel pensier mi fingo; ove per poco

Il cor no si spaura. E come il vento

Odo stormir tra queste piante, io quello

Infinito silenzio a questa voce

Vo comparando: e mi sovvien l’eterno,

E le morte stagioni, e la presente

E viva, e il suon di lei. Cosi tra questa

Immensita s’ annega il pensier mio:

E il naufragar m’ e dolce in questo mare.

 

In mn eigen vertaling (geen garanties..)

Altijd was mij dierbaar deze eenzame heuvel,

En deze heg die van alle kanten

Van de verste horizon het uitzicht benam.

Maar hier zittend en me verwonderend, oneindige

Ruimten daar voorbij, en bovenmenselijke

Stilten en de allerdiepste rust

Stel ik me in gedachten voor, waar het hart

Bijna is overweldigd.  En zoals ik de wind

Hoor ruisen door deze planten, vergelijk ik

Deze oneindige stilte met die stem

En ik stel me het oneindige voor

En de dode seizoenen, en het huidige

En levende, en hun geluid. Zo in deze

Onmetelijkheid verdrinkt mijn denken:

En zoet is het me schipbreuk te lijden in deze zee.

Italianen houden erg van deze melancholie. Het beeld in een oneindige zee van melancholie te mogen verdrinken, de wereld de wereld te laten met al haar onheil, maakt zo lijkt het deel uit van de Italiaanse moderne cultuur. Franco Battiato, een van die vele cantautori die Italie rijk is, schreef een liedje, Summer on a solitary beach, met in het refrein precies dat: willen verdrinken in de zee, schipbreuk willen lijden, weg van deze kust, kijk maar eens op youtube https://youtu.be/qrwtkcOIqvM.  Vrij naar Leopardi zou je haast zeggen. Verdrinken, schipbreuk lijden, weg over de golven. Waar komt dat toch door, die wil om te verdrinken, onder te gaan en het op te geven? Het land dat alles heeft, de oude cultuur en geschiedenis, landschap, het weer, het strand (wij waren vanmiddag even aan het strand in Porto Recanati en het hele gelukzalige, zorgeloze Italiaanse strandleven ontvouwde zich voor ons), la dolce vita in het algemeen en in het bijzonder het meest voortreffelijke ijs van de hele wereld (op het Piazza Leopardi midden in Recanati zit weer zo’n briljante ijszaak, echt, als u in de buurt bent). Waarom juist dan zo melancholisch en het leven als waardeloos, zinloos, alleen maar verdriet en ellende brengend zien? Ik pak het boekje van William James er nog eens bij, dat ik kocht in Trondheim (zie 23 juni, dat is 32oo km geleden!). In het essay Is Life Worth Living?, een voordracht voor studenten in Harvard, noemt James Leopardi. “Some men seem launched upon the world even from their birth with souls [as] incapable of happiness … and they have left us their messages in even more lasting verse… – the exquisite Leopardi for example.” Wat zou je tegen een dergelijke ziel zeggen om uit te leggen dat het leven toch waardevol is, zinvol om geleefd te worden? James komt uiteindelijk met het antwoord dat we mogen geloven dat het leven zoals we het waarnemen deel uitmaakt van iets groters en daarin betekenis heeft. Of je dat grotere nu God noemt of niet, dat geeft het leven betekenis. Aan het eind van zn essay houdt James zijn gehoor voor: “Be not afraid of life. Believe that life is worth living, and your belief will help create the fact.” Prachtig. En naar mijn gevoel ook waar en betekenisvol als je niet gelooft dat het leven deel uit maakt van iets groters. De betekenis van het leven is de betekenis die we er aan geven, iedere dag, iedere beklimming, iedere ontnuchtering, iedere glimlach, iedere traan, ieder ijsje weer. En daarom kom ik tot alternatieve eerste en laatste regels van L’infinito:

Sempre caro mi fu questo colossale colle

che da tante parte il mio corpo consuma

..

E il naufragar m’e dolce in questo gelato!

9 augustus, I also bike!, door Jaap

Italie stikt van de fietsers. We hebben ze al in alle soorten en maten gezien, racers op het fietspad langs de Adige, kinderfietsjes vanavond op het plein in Faenze, oude mannen met ontbloot bovenlijf en gelooide huid door de weilanden, vanmiddag een heel klein mannetje op een te grote fiets, we zagen eerst alleen maar twee wielen, bizar, net zoals je af en toe een auto zonder bestuurder ziet die zich ergens onder het stuur bevindt, vrouwen in wielerbikini’s, vette mannen van wie de buik vervaarlijk over de stang hangt, af en toe een pelotonnetje, maar minder dan op de Nederlandse wegen, in de dorpen en de wegen van de vlakke Po vlakte veel moeders die op de fiets boodschappen doen, net als thuis zeg maar. Er wordt eindeloos gefietst in Italie. In Noord-Italie zagen we nog wel eens tour-bikers, net als wij, met bepakking, duidelijk op reis op de fiets. Maar die lijken we bij Verona te hebben afgeschud, de hitte hier vraagt ook wel veel. Vanmiddag klommen we een steile kam van een partij heuvels over, gemiddeld 10%, af en toe 13% en regelmatig was het asfalt verkruimeld tot ruw grint waar we bijna in bleven steken. Boven gekomen noteerde de garmin van Fred 43 gr. De hitte pakte ons erger dan de klim, we hingen minuten lang boven in de schaduw uit te zweten. Wie hier met bepakking fietst heeft een gaatje in zn hoofd, denken zelfs de Italianen. Maar het mooie van een land met zoveel fietsers is dat je er regelmatig eentje tegenkomt met een verhaal. Eergister, we stapten op in het zes jaar geleden door een aardbeving geteisterde Mirandola, 60 km voor Bolonga. De ene helft van het dorp staat in de steigers, de andere helft is verlaten. Ik zwaai mn been al over het zadel, Fred stelt zn garmin nog wat in, en daar komt ineens een kale man met een hond naar ons toe gerend. “I also bike!” roept hij ons toe, het eerste wat in hem opkomt in een poging ons opstappen te beletten. Wij kijken wat versuft op, wat, wie, wat is dit? “Yes, yes, I have just come from the Noordkapp!” Huh? Noordkaap, daar komen wij net vandaan, wacht even. Vertelt hij nu ons verhaal? Wat zat er in de koffie zojuist? “Yes, yes, I only started to bike since five years and my English not so good but now I bike all the way up.” Hij vertelt het verhaal met grote haast, bang dat we alsnog opstappen. Hij fietste van Mirandola via Slovenie, Slovakije, Polen, Baltische landen en Finland naar de Noordkaap. Sliep in Honingsvåg net als wij en vloog daar vandaan weer naar huis. Hoe kun je het verzinnen, in het leegste dorp van de Povlakte, een andere fietsfanaat die net naar de Noordkaap is gefietst waar wij vandaan komen. 30 juni was hij daar, wij op 2 juni. Hij glimt helemaal als wij ons verhaal vertellen, het lijkt alsof zijn verhaal daardoor aan geloofwaardigheid wint. Je ziet hem vanavond thuis vertellen: weet je wie ik vanmorgen heb ontmoet? Zie je wel dat andere mensen ook zo iets doen? Vanmiddag nog een andere mooie fietsontmoeting. Na die door de hitte pijnigende klim, en hersteld met wat cola, fanta, chips en een magnum (eten konden we niet in het dorpje na de klim), daalden we met een stevig vaartje in de richting van Imola. Een paar kilometer voor Imola worden we ingehaald door een krachtige mountainbiker, die ons in het voorbijgaan vriendelijk groet en wegspuit. Maar niet zo hard dat hij onbereikbaar is en dus, zoals dat zo gaat, voordat ik er erg in heb schiet ik achter hem aan en Fred achter mij, eigenlijk onze eerste racereflex van de hele tocht, waar zou dat nou door komen? Moet een zot gezicht zijn geweest, twee steelrides met bepakking die ineens 37/u fietsen achter een mountainbiker aan. Het duurt even voordat de man doorheeft dat we in zijn wiel zitten. Hij schrikt als hij ons ontdekt, dit klopt niet, die was ik toch hard voorbij gefietst? Maar dan glimlacht hij ons toe, en begint een praatje. Vertelt direct dat hij de baas is van een fietsfabriek hier in Imola, een fabriek voor alleen maar mountainbikes, FRM. De lichtste MTB op de markt zegt hij, karbon en ijzersterk. Winkels door heel Italie. Wij verontschuldigen ons dat we zo langzaam gaan op onze steelrides met bagage maar dat ziet hij toch anders, hij had ons van ver gezien en dacht nog: those guys are fast. Duidelijk een kenner. We vertellen dat we naar Malta gaan, via Sicilie en hij roept direct dat we de Etna op moeten. Hij heeft een winkel aan de voet van de Etna, we kunnen daar bij Nicola de bagage laten staan en de berg op. En dan, als uitsmijter: “Now that you know me, you are at home in Italy.” Hij zal Nicola dadelijk bellen. Fietsen in Italie, zo gaat dat.

8 augustus, Kantelpunt, door Fred

Er wordt wat gekanteld in Nederland en daarbuiten. Ook kantelpunten zijn aan de orde van de dag. En meestal zorgelijk. Zo lees ik op de NOS-website dat wetenschappers waarschuwen dat het kantelpunt voor ons klimaat op 2 graden met rasse schreden nadert. Als we niks veranderen volgt de ‘hittetijd’, met ‘Hothouse Earth’ als schrikbeeld. Poeh! Op onze eigen manier hebben wij in de afgelopen 4700 kilometer de schrik van ons eigenste kantelpuntje gehad. Je kon het zelfs gewoon aanwijzen. Bij Trondheim!.

Isostatisch

Nu ligt het echte kantelpunt, geologisch gezien, ergens bij Denemarken. Tijdens de ijstijden was Scandinavië bedekt met een 3 a 4 km dikke ijslaag. Onder dat gewicht zakte daar de aardkorst. Nu is dat precies andersom. IJs weg, korst omhoog, dus Scandinavie omhoog. Razendsnel – althans dat meenden wij te merken aan het begin van onze tocht, waar we maar bleven klimmen. En Nederland zakt, maar dat merken wij met zijn allen al jaren, toch? (-:. Het ‘terugvinden van het isostasisch evenwicht’ noemde mijn onvolprezen leraar aardrijkskunde Jan Marsman dat fenomeen (ik hoor hem nu ook nog die heerlijke definitie van löss voordragen: ‘klastisch- eolisch sediment met een doorsnee van 2 tot 64 m. Schoorl, herhaal!’ (wij waren voor hem een soortnaam, geen idee waarom). Maar dit terzijde.

Zomer

Bij Trondheim dus. Daar sloeg het kantelpunt toe. En serieus, het is een gekke gewaarwording. Tot die tijd was het koud, tot rond het vriespunt en zelden boven de 7 graden. Ja, in Tromsö liep ik een middagje rond met zon en bijna 10 graden. Maar verder: arctisch afzien. En dan de regen. Tot Trondheim met bakken, teilen. Hozen. Nat, zeiknat, doorweekt. En in de lokale varianten regen, sneeuw en hagel; alles hebben we gehad. Met de scène op weg naar Olderfjord als hoogtepunt: vlakbij de Noordkaap in een bizar, leeg restaurantje, bij een Russische haardvuur onze zichtbaar stomende wielerkleding, terwijl wij ondertussen kleumend een Hongaarse vissoep naar binnen slurpen. We waren net drie dagen op pad. En dan ook die wind. Matig, hard, of stormachtig, maar als regel tegen. Die godvergeten wind. De storm op weg naar de Noordkaap, waar Jaap zijn fiets letterlijk door de storm werd meegenomen, waardoor hij met stuur nog in zijn handen er achteraan moest lopen. Dat is storm. En zie, na Trondheim stroomden de vrolijke pijltjes van onze app Windy ineens de goeie kant op. Het werd ook droog. En ineens was het warm. Het licht brak door. Alles anders. Bijna dan. Er moet wat te klagen blijven. Maar na Trondheim begon voor ons ineens de zomer. En hoe! U die in Nederland bleef weet er alles van.

IJskoningin

Maar het dubbele kantelpunt had ik niet voorzien. Want waar wij triomfantelijk op onze milieuvriendelijke fiets de zomer vierden, in Zweden, Denemarken, Duitsland, Oostenrijk en nu in Italië, sloeg het boven Trondheim ineens ook om. Na een enkele verontrustende zin in een krantenbericht bleek al snel wat zich daar afspeelde. De zon scheen, het waaide er nauwelijks, het was droog, al snel kurkdroog voor dat gebied. En dan die temperatuur. Op de Noordkaap was het vorige week nog ruim 20 graden. In Tromsö, waar ik zo genoten had van het zonnetje, was het een paar dagen rond de 26 (zesentwintig!) graden. En deze voor die streken tropische omstandigheden duurden dagenlang. Alarmerend. Maar hier in Italië kantelt de boel ook verkeerd. In Verona schepte het ijsmeisje de overheerlijkste smaken, wij smeltend van haar, zij en het ijs van de warmte. ‘Ha mai visto questo!’ Ze trok een gezicht als een smeltende ijskoningin. En vandaag op weg door de Po-vlakte – als landschap een soort Stalingrad van de landbouw – stonden velden vol mais en zonnebloemen te verdrogen.

Als Jaap en ik later over deze fietstocht praten met onze kleinkinderen – ouwelullenpraat! – dan zal deze zomer van 2018 als de kantelzomer bekend staan. En meervoudig bijzonder. Het is gek dat ik me toch iets minder verheug op dat verhaal te vertellen. De aarde en de mens is mij toch iets te lief. Hothouse Earth is misschien wat hysterisch geformuleerd, ik krijg het er toch een beetje benauwd van. En hier in Mirandola wil het ook maar niet afkoelen….

6 augustus, Che Colore! door Jaap

Fietsen in Italie, de apotheose van onze grootse tocht. Italie, het land van totale overdrijving, in alles wat je ziet en hoort. Voor ons kwam die extreme overdrijving altijd het beste tot zijn recht in de wielerkleren die we hier tegen komen. Met het fietsen4fietsen peloton fietsten we drie zomers in Italie en de wielerpracht hier is onovertroffen. Als een Cambrische explosie van diverse levensvormen na miljarden jaren haast onopgemerkte evolutie, zo voelt het een beetje als je ruim 4400 km hebt gefietst door stil en ingetogen Scandinavie, waar een rood fietsjack al argwaan wekt bij de lokale supermarkt, door onbewogen Duitsland waar fietsers hun best doen er niet als zodanig uit te zien, en je dan eindelijk de zoete inval van Italie binnen fietst. Ongekende kleurencombinaties van shirts en broeken, reclame tot in de bilnaad, met enige regelmaat scheuren in het netvlies van de horreur, maar hoe dan ook: het fietsleven spat eraf. Alles mag, alles kan op de fiets en alles gebeurt dan ook. De laatste twee dagen werden we regelmatig blij verrast door dames in een soort bikini-wieler outfit. Bravissima!!! riepen we dan over onze schouder terug als we cognitief snel genoeg konden duiden wat we nou eigenlijk zagen. En altijd waren we zelf op zoek naar zo’n totaal over de top fiets shirt of broek, om een beetje mee te kunnen doen in dit land. Nog nooit iets gevonden in al die jaren. Zelfs een keer tientallen kilometers gereden naar een fietszaak waar ze iets moois zouden hebben. Op maandag gesloten, weer niks. En toen was ik vorige week bij de Rapha winkel in Amsterdam en zag met 40% korting het enige tenu dat een beetje zou passen. Sinaasappel oranje, oranjer dan welke shirt van een NL sportteam ook. Wetende van de constante risee die elk lycra fietspak thuis opwekt, sneakte ik er even stiekem tussen uit (“ik ben even naar de kapper”) en propte het oranje shirtje bij thuiskomst snel in mn fietstas. “Zeg wat is dat voor Rapha-tas?” vroeg mn vrouw. Shit, laten slingeren. Met mn allercharmantste glimlach zei ik dat ik een shirtje met korting had gekocht, ze proeste het uit. Ik heb haar het shirt maar niet laten zien. Maar nu, in Bolzano, echt in Italie, forceert het shirt zich als vanzelf uit mn tas, het knalt eruit, knal oranje, nog meer dan ik in de winkel dacht. Ik knipper met mn ogen. Even slikken, toch maar aan getrokken, ietwat schuchter. Maar nog geen tien kilometer buiten Bolzano komt de bevestiging dat het goed zit. Op een briljant fietspad langs de rivier de Adige, dat we nagenoeg helemaal kunnen volgen tot Verona, komen ons twee wielrenners tegemoet. Als ze naast ons zijn roept de een tegen de ander: “Che colore!!” Hoor ik dat goed? Twee Italianen die onder de indruk zijn van de kleur van mijn fietsshirt? Che colore!!!! Eindelijk, wat nooit kan, wat in Nederland nergens op zou slaan, mag hier in vol ornaat. Ik richt mij op, twee handen los van het stuur en jubel met breed zwaaiende armen een deuntje in mn oranje shirt langs de Adige. Aan het eind van de dag voel ik me na 100 km tegenwind als een langzaam uitgeknepen sinaasappel, dat dan weer wel, maar het mag de pret niet drukken. Dat gezegende Italie vierden we gisteravond in optima forma door naar de opera Aida van Verdi te gaan, in de magnifieke Arena van Verona. Heerlijk spektakel, drukkend warm, naast Fred viel een ietwat minder bevallige dame al in de eerste akte flauw, en toen moest het drama nog beginnen. Pyramide, sfinxen, Osiris, de hele Egyptische santemekraam stond op het toneel. En uiteindelijk werd er passend dramatisch gestorven zoals dat zo hoorde in een 19e eeuwse opera. 25 jaar geleden was ik ook naar de opera in Verona, toen met mijn maatje Hubert met wie ik was klimmen in de Oostenrijkse Alpen. Hubert, die nadat ik in een vlaag van verstandsverbijstering op de Champs Elysee gespschoenen had gekocht toen ik daar een middag moest wachten op een bespreking, tegen me zei: “I like it but it’s not you!” Daar moet ik aan denken, op de tribune van de Arena, mn oranje fietsshirt draaide zn rondjes in de wasmachine. In Nederland, it would never have been me. Maar in Italie wel: I like it and it’s me!!

3 augustus, Toch nog even: Duitsland, door Jaap

Vandaag Italie in en voor je het weet overmant het land van la dolce vita je volledig. Daarom, voordat het te laat is, toch nog even over Duitsland. Hier in Bolzano kan het ook nog, Bolzano is per slot gewoon Bozen en iedereen spreekt hier Duits en Italiaans door elkaar heen. De regio heet nu Alto Adige maar vroeger was het als Sud-Tirol gewoon deel van het kroonsland Tirol van de Oostenrijks-Hongaarse monarchie. Duitsland dus. In mijn fietsbeleving een overgangsland tussen het ruwe, pure, eenvoudige Scandinavie waar mijn hart nu voor altijd ligt, en het excentriek gecultiveerde Italie waar we nu met een teen in zijn beland. Ik heb allerlei stukken niet gefietst inm Duitsland maar in de trein gezeten, in zeer comfortabele en snelle ICEs. Land van effectieve gezondheidszorg en briljante 3D-billen fotografie. Land van Heidegger, die met Zijn en Tijd het fenomeen, de menselijke ervaring van het zijn ontrafelde en de briljante Hannah Ahrendt opleidde (en verliefd op haar werd) maar vervolgens kort na zijn benoeming tot Rektor van de universiteit van Freiburg in 1933 lid werd van de NSDAP en later nooit in staat bleek afstand te nemen of spijt te betuigen van die verbinding, tot ontsteltenis van Ahrendt. Land van KULTUR en PHILOSOPHIE, van Goethe, Mann, Beethoven, Kant en Schopenhauer, maar ook het land waar een bevolking op de meest schrijnende manier is uitgegleden tot een onmenselijk barbaars niveau. Ik ben van de generatie dat Moffen-antipathie met de paplepel werd ingegoten. Niet in het bijzonder door mijn ouders, gewoon, de hele gemeenschap sprak zo. Je had het nooit over Duitsers, maar altijd over Moffen. Wat zij in de oorlog hebben uitgespookt gaf ons een moreel superioriteitsgevoel dat ik als kind herkende bij de zoveelste kuil op het strand en het voordringen in de rij voor een ijsje. Moffen, zeiden we dan veel betekenend tegen elkaar, zonder dat we iets wisten van die oorlog. Gek eigenlijk, want onze familie kwam uit Duitsland. De eerste Winter die in de familie annalen is gevonden werd  Kleine Winter von der Hasebecke genoemd. Gehuwd met Maria (en nog 8 andere voornamen geloof ik) von Klughoven zu Vossenheide. Kom daar nog maar eens om tegenwoordig. Ergens in de 19e eeuw zijn de broodbakkende Winters de grens naar de Hollandse Veenkolonien overgestoken (Schengen en vrij verkeer van personen hadden ze toen helemaal niet nodig) waar de turfstekende bevolking brood kon gebruiken. Duits van origine en de laatste jaren ben ik Duitsland en Duitsers alleen maar meer gaan waarderen (zeker de na EK halve finale in Hamburg in 1988), het Moffen-syndroom is versleten geraakt. Eigenlijk zijn de Duitsers over het algemeen heel sympathiek. Daar, ik heb het gezegd. Misschien wat formalistisch en niet altijd veel humor, maar dat maakt dat ze Hollanders eigenlijk juist wel leuk vinden. Hollanders overtreffen hen bovendien makkelijk in platte luidruchtigheid. Ongekend succesvol in economie, wetenschap en voetbal (maar fijn dat het ook een keer mis gaat in Duitsland) En toen fietsten we langs Bergen-Belsen en kwam de open zenuw van het machinaal en systematisch vermoorden van mensen weer keihard binnen. Ik las in de verschillende treinen het laatste boek van Philip Kerr (niet alleen laatste boek als meest recent, maar ook laatste boek omdat de schrijver helaas net is overleden), met de Berlijnse politieman Bernie Gunther in de hoofdrol, boeken die spelen voor, tijdens en na WO II. Het laatste boek speelt in 1957, rond de tijd dat de eerste Europese Gemeenschap wordt opgericht, voorloper van de EU. Gunther omschrijft het Europese project als volgt: Duitsland zal zich voortaan netjes gedragen en de andere landen vergeven Duitsland haar onbeschrijfelijke zonden. Iedereen is beter af door de economische samenwerking en dat blijft zo zolang Duitsland zich netjes blijft gedragen. Daarom zegt Merkel misschien wel: Wir schaffen das, ook al is het tegen beter weten in. Ik hoop dat Duitsland dit nog lang blijft zeggen. Het valt niet mee een land te zijn dat zich als erfschuld altijd netjes moet gedragen.

3 augustus, De goeie ontsnapping, door Fred

In het fietsen wil je in de goeie vlucht of ontsnapping mee zitten. Om te winnen, uiteraard. Jaap en ik fietsen van de Noordkaap naar Malta zonder dat soort verlangens. Het is ‘slow biking’, soms stevig aanpoten, hoor, maar wel met als doel om te genieten en met Het Goede Leven bezig te zijn. Die goeie vlucht of ontsnapping krijgt soms een akelige bijsmaak als je het over iets anders hebt: vluchtelingen.

 

Bij het begin van onze reis namen we ons voor ons te verdiepen in de vraag; wat is het hart van Europa? We spraken daarover af en toe met mensen die we tegenkwamen, fietsers of andere passanten. Maar de vraag van de ‘nieuwe Europeanen’ kwam onverwacht vanaf de eerste dag. Zelfs in Honningsväg bij de Noordkaap, maar ook in alle andere stadjes en vooral dorpjes boven de poolcirkel viel het op: het straatbeeld werd niet gekenmerkt door Vikingers, maar gekleurd door Afrikanen, Aziaten en Arabische wereldgenoten. Kwamen deze groepen hier boven de poolcirkel als gevolg van spreidingsbeleid of andere, meer nobele gedachten? Onder die poolcirkel werd het niet anders, behalve dat het aandeel autochtonen – dat begrip kan nog wel? – exponentieel toenam. De beelden blijven. Ik herinner me de slenterende groep jongens in Honningsvag, die al spelend  de kou van zich afschudden. De vrolijke familie van Indische (?) afkomst die ons probeerde te helpen aan een koffietentje, op weg naar Tynset. En ook de her en der soms doelloos, want werkeloos, slenterende jongeren, die ons, gepakte en gezakte fietsers, met enige verbazing aankeken. Pijnlijk. Oh ja, en die guitige fietsende Afrikaan in Denemarken, die even met ons opreed,, om het al snel op te geven. Verkeerde fiets. Het is een mengeling van aandoenlijke en aangrijpende taferelen. Dagelijks en gewoon, maar iets zegt je dat hier de scheuring van Europa en de verscheurdheid van deze mensen dagelijks leven tekent.

Als ik dit schrijf komt een jong, donker kind op een minifietsje met grote vaart over het terras van Bolzano (It) razen. Tussen tafels en obers door. En nu nog één, op een knalgroen, te klein fietsje. Ze spelen. Niemand zegt wat. Waarom ik dit allemaal schrijf? Omdat wij, als enorme bofkonten, de zorg voor Europa en wat er gebeurt in de wereld niet van ons af willen fietsen, maar als het ware laten meefietsen. We gingen niet dwars door de VS fietsen, vanwege Trump en praktische bezwaren. We fietsen door Europa op zoek naar ‘het hart van Europa’, maar zien te vaak dat het ritmestoornissen heeft. Ook al doen we ons best. Sommigen tenminste. Wat we ook zien zijn de manifestaties van ons soms hysterische, xenofobe gedrag. Mensen wegstoppen in oorden, waar je dood niet gevonden wil worden. Mensen parachuteren in moeilijke gebieden. Of, zoals vandaag, in de prachtige vallei van de Isarco, op weg naar Bolzano, een moderne ‘nederzetting’. In een haveloos stuk ingeklemd in een kloof stonden ‘allogi’ te branden in de zon. Dat waren, beter gezegd, gestapelde containers, met nummers erop, een hek eromheen en per blok op de hoeken airco’s achter gaas. Het was bloedheet, toen we er voorbij reden. De buitenkant is geen gidsfossiel voor goede of slechte bedoelingen. Maar het ziet er vaak niet uit. En – al fietsend – realiseerde ik me dat we op weg zijn door Italië. Bella Italia. Een land dat prat gaat op zijn rol in de Europese beschaving. In dat land waar drie dagen geleden in de media ‘de jacht op de zwarte’ werd gehekeld, naar aanleiding van uitspraken van minister Salvini en tal van ‘incidenten’. Een en al lelijkheid. De somberte zou je in de benen slaan als je weet dat we Malta als einddoel hebben. Zeker als je ook al voorbij Bergen-Belsen bent gefietst. Malta dus. Ook daar is het een en ander aan de hand, to put it mildly. En dan heb ik het niet over de incidenten met Culturele Hoofdstad Valetta, of de vermoorde journaliste en de rol van de politiek.

Europa is cultuur, zegt een Amerikaanse vriend van mij altijd.  Je zou er aan gaan twijfelen. Al was het filosoof Ton Lemaire, die juist de twijfel als ware kenmerk van de Europeaan omschreef. To be or not to be. Maar juist al deze ervaringen en belevenissen met vluchtelingen en onze morele en fysiek zichtbare reactie erop, sterken mij in de overtuiging dat de agressie en ontkenning ‘een fase’ is. Misschien naïef, maar al fietsend door Europa weet je dat naïviteit dit fascinerende, schitterende werelddeel veel goeds heeft gebracht. Laat we hopen op een goeie ontsnapping van dit continent. Anders zijn er alleen maar verliezers. Aan ons zal het niet liggen. Malta, here we come!

1 augustus, Doping, door Fred

Geef toe, lezer, als u dit woord leest dan denkt u: wielrennen! Maar vandaag was er tijdens onze Grote Tocht van de Noordkaap naar Malta geen sprake van. En toch iets van doping, of eerder ‘dopen’. Ik moet allereerst bekennen dat ik tussendoor een weekje mijn batterij heb opgeladen – zo heet dat – met mijn lief en dochter te Genua. Het was heerlijk. Schaamteloos laven aan schoonheid, verval, geuren – of beter stank – en kleuren in bizarre, of schitterende combinaties, aan mensen – vooral dat, onbeschrijflijk mooie, lelijke, fascinerende, aandoenlijke mensen – en aan de voor- en achterkant van deze grimmige, levende stad die La Superba heet. Na ons kwartier te hebben gemaakt in Palazzo Grillo slenterden we toeristiek naar de barokke praalheerlijkheid van de opgepoetste paleizen van Via Garibaldi, langs de hoeren die in het al te smalle, donkere steegje Vico Boccanegra (zwarte mond), leunend met hun rode uitdossing tegen de gore kalkmuren je aankijken, als daar al sprake van is. Ik hoorde het zoete Spaans en zag het gulle vlees uit de decollettes gulpen als het ijs van het nabije gelatería di Martina Francesconi, dat uit de coupes steekt en over de randen druipt (ga daar naartoe!), en de verleidelijk bedoelde torenhoge hakken onhandig geprikt in de schots en scheef liggende natuurstenen bestrating van deze zwoele steeg. De hitte. Die zware hitte. Via Garibaldi dus, waar als op bestelling de langharige, besnorde en in grijs gestoken schrijver Ilja Leonard Pfeijffer op een terrasje zat te lezen, terwijl het toeristenleven in al zijn perverse veelkleurigheid aan hem voorbijtrok. U begrijpt, deze in barok sneuvelende zinnen zijn bedoeld om de schrijver van de ode aan Genua, de heerlijke roman getiteld La Superba, tot leven te roepen. En waar was ik? Oh ja, opgeladen dus, niet door het rosse, maar het mediterrane. On top of that hebben we de toerist uitgehangen in Nervi, Camogli en – ook dat nog – San Fruttuoso – wie verzint die Italiaanse namen toch? En na een smartelijk afscheid op de luchthaven van Genua ben ik weer terug op de fiets, dus. Vandaag van Munchen naar Achenkirch in Oostenrijk. En helemaal opgeladen.
Die doping, uds, of dat ‘dopen’. Onderweg gebeurde het dus (ik waarschuw u, ik ga nog even Pfeijferriaans door). Het lukte Jaap en mij zeker niet de goede cadans te vinden, in de hitte, die ’s ochtends op de Bayerischen Rundfunk werd aaangekondigd te pieken op maar liefst 38 graden. Nietsvermoedend sleepten wij ons als fietsslaven in een ijzergieterij richting de Alpen, die als onheilspellende contouren aan de horizon opdoemden. Tot Bad Tölz. Ik verafschuw meestal de anachronisctische truttigheid van dit soort Bads, opgepoetst en ingekleurd als heuse Konditoreikunst. Ook hier was het niet anders. Maar toen wij daarna onze stalen rossen over het zandpad langs de Isar, de Isar!, mochten rijden veranderde dat. Na dit Bad kwam de zegen. De prachtige blauwe stroom, omzoomd door bos en kiezelstrandjes, met af en toe heuse kiezeleilandjes in de rivier, was de betovering voorbij. Woorden schoten tekort. En woorden hadden we niet nodig. Remmen wel. Stop! Van de fietsen af. We haasten ons naar de rivier. En daar kwam dus die doping, waar ik al veel te lang geleden gewag van maakte. De onderdompeling in dit water deed mij ineens het goddelijke van dopen begrijpen. De puurheid, zuiverheid, helderheid en ook frisheid van deze stroom maakte veranderde ons terstond van slaven in ridders van het ros, in prinsen van het witte paard. De nimfen langs de kant, met hun pronte, soms gulle ontblootte borsten maakten het tafereel nog rijker. Op het randje van Arcadia, waar Schlauerhoff over dichtte : ‘Langzaam kleed zij zich uit in het loover, rilt verrukt en verlangt een rover, denkt aan nimfen en aan faunen’ (waarna het niet goed afloopt, maar ook dat gebeurt). Helaas, even verderop verstoorde een oudere man, in zijn naakte trots de betovering. Hij deed mij denken aan het oude nijlpaard Max, die in de betreurenswaardige eenzaamheid van het verstoten mannetje de oevers van de rivier de Zambezi onveilig maakte voor toeristen. Maar goed, er is altijd een contrapunt in een sprookje, zo ook hier. Ik dwaal af. Wij konden daarna, fris en verlost van zwarigheid verder op de fiets. En werkelijk, als verlost hebben we genoten van de Isar, de Walchen, de Achensee en al het andere schoons, dat het voorgeborgte is van de Alpen (in de betekenis van natuurlijke gelukzaligheid uiteraard). Enfin, het is u, die nog niet is afgehaakt, wel duidelijk. We zijn weer vol energie, nee opgeladen, begonnen aan het laatste deel van onze tocht. Er is weer energie voor onzinverhalen. En gedoopt was ik al.

1 augustus, Los geht’s wieder, door Jaap

Na een weldadige pauze in groter Munchen (de een terug naar Amsterdam met nieuwe hoogtepunten, de ander naar La Superba Genua) gingen we vandaag weer van start. Het derde luik van onze tocht, van Munchen, over de Alpen, heel Italie door naar Sicilie en eindstation Malta. Wat een feest dat we gewoon nog een maand mogen fietsen. Door Italie nog wel, niet alleen briljant fietsland maar bijna zo belangrijk, het land van het echte ijs, elk dorpsplein vol met Gelateria’s. We vluchten het wombat hostel in Munchen snel uit. Het ging eigenlijk best wel, ook vorige week, maar we beginnen toch een beetje te lijden aan een overdosis van 17-jarige interrailers, zowel visueel als auditief.  Even de fietsen ophalen bij de Bikeshop Munich, waar we ze  voor een beurt hebben achgergelaten vorige week. De hipster eigenaar, een echte germaan zeg maar, begroet ons vriendelijk, vertelt wat hij heeft gedaan en presenteert een onbegrijpelijke rekening van wel eur 245 voor check-up, ketting vervangen en nieuiw groot blad voor voor Fred. Er staan twee reeksen getallen die optellen tot eur 245 maar hij kan niet uitleggen waar ze voor zijn. Hij wordt boos als we vragen beginnen te stellen, Fred laat op zn mobieltje zien wat een nieuwe ketting kost, echt geen eur 60 zoals de hipster beweert. ‘Ihr lebt nur online, ich lebe in die wirkliche Welt.’ begint de hipster. ‘Du weisst das ich in die echte Welt dein Fahrrad nicht zuruckgeben muss wenn du nicht zahlst.’ Laat hij er dreigend op volgen. Ik krijg de neiging hem de beginselen van het retentierecht (Zuruckbehaltungsrecht) uit te leggen maar beperk me tot de constatering dat iemand die zijn rekening niet kan uitleggen niet echt overtuigend aanspraak kan maken op betaling. ‘Du hast recht, da stehe ich schwach.’ Geen scherpe onderhandelaar. We schikken het maar op eur 200, want we willen zo langzamerhand wel op pad. Fred denkt dat het een sjoemelaar is die probeert er een extra slaatje uit te slaan, ik zie nog wel iets goeiigs in deze hipster germaan die het allemaal niet zo scherp op een rijtje heeft. Hoe dan ook, we fietsen, eindelijk weer. De rust en hereniging zo her en der heeft goed gedaan. We trappen weer ouderwets, eerst de stad uit, dan door de weilanden en langzaam steeds hoger over de glooiende heuvels. In de verte zien we de Alpen opdoemen, eerst als een grijze waas aan de horizon en gedurende de dag steeds scherper, en hoger!  100 km fietsen we vandaag, eigenlijk steeds omhoog, langs geweldige fietspaden (welke Duitsers vertelden ons nou dat de Duitse fietswegen allemaal zo slecht waren?) Het ene fietspad is hier nog mooier dan het andere. Hoogtepunt zonder enige twijfel, zelfs een zodanig hoogtepunt dat we vaststellen dat dit stuk met stip onze top tien favoriete fietservaringen binnenvliegt; nou hebben we zo langzamerhand wel meer dan 100 van dit soort top tien ervaringen en daarom stellen we vast dat dit pad tot de eerste tien van onze extended top tien behoort, kortom, dit grintpad langs de rivier de Isar is werkelijk fantastisch. De rivier en haar kiezelige bedding vormen een langgerekt strand. Overal zitten en liggen mensen te badderen, pootje baden, in een rubberbootje, soms zelfs in een raft langs wat milde versnellinkjes. Het zomergeluk spat ervan af als we er langs fietsen. En het grijpt ons ook. Normaal zijn we vrij stugge fietsers, we komen om te fietsen, niet voor allerlei vertier langs de kant, maar de aantrekkingskracht van deze Isar is te groot, te sterk voor ons. We gooien de fietsen tegen een boom en verkoelen onze voeten (door eindeloos met zn blote voeten in de zee rond te banjeren kwam Njord aan zn price-winning mooie voeten; wij doen een eerste poging) en de rest van onze lijven met het heerlijke verkwikkende water van de Isar. Alles voelt ineens verkwikt, niet alleen het lijf, maar zeker ook de geest. Twee jochies in het water, wat een simpel en heerlijk plezier. Met dat plezier stappen we ook weer op en klimmen we rustig verder richting de Alpen, een tijdje precies op de Duits-Oostenrijkse grens. Een zorgeloze fietsdag, 100 km gefietst, bijna alles geklommen, moeiteloos, geen last van benen, bijholtes of welk ander aangedaan lichaamsdeel dan ook. Puur fietsplezier. En dan komt heel Italie nog, met al dat ijs. Nog een klein Monty Python momentje krijgen we als toegift in Pension Cristiana waar we verblijven vannacht. Als ik om onze dorst te lessen vraag om twee grote glazen frisdrank, zegt de goeiege oudere bediende: ‘Naturlich wir haben alles.’ ‘Ein Tonic Wasser bitte.’ ‘Nein, das haben wir nicht.’ ‘Ein Eis Thee dann vielleicht?’ ‘Nein, heute nicht, tut mir leid.’ Ik kom niet meer bij van het lachen en kan nog net om appelsap en fanta vragen. Dat hebben ze ook nog, lucky shot.

23 juli, BAT-relatie, door Jaap

Samenleven doen we tegenwoordig in alle soorten en maten. De LAT-relatie is een van de meest paradoxale, living apart together. In het digitale, binaire tijdperk is dit een lastige: is het nu samen of apart? Misschien moeten we het als een quantum-relatie zien: golf en deeltje, apart and together, maar nooit allebei tegelijk. Zou Heisenberg’s onzekerheidsrelatie, u weet nog wel, Heisenberg die in Göttingen werkte en die de nazi’s bijna aan een atoombom hielp, ook voor LAT-relaties gelden? Ik dwaal een beetje af. Fred en ik hielden er de afgelopen dagen een BAT-relatie op na: Biking  Apart Together. Het Biking kwam vooral van Fred, hij moest het alleen doen de afgelopen dagen, met af en toe behoorlijk slecht weer en veel klimmen. Ik was Apart, eerst in Göttingen, later even in Amsterdam waar ik, geluk bij een ongeluk, aanwezig kon toen mijn dochter haar vwo-diploma kreeg. Maar een deel van me was de hele tijd bij Fred, Together toch, wilde weten hoe het was, wat hij zag, hoe het weer was, de heuvels, of het ging, of hij iets moois zag, een volgend suikertaarten stadje, of eindelijk de wielewaal. Het was onwerkelijk om abrupt met een blessure dagenlang niet te fietsen. Ik miste het ritme, de hele dag buiten zijn, voortdurend indrukken opdoen, gekke dingen zien onderweg, de lol met Fred, het plannen van routes en overnachtingen, ook de stiltes die we deelden op de fiets. Voor Fred was het ook geen feest alleen op de fiets. Het was zwaar fietsen deze dagen en dan scheelt het de wereld als je dat samen doet, op kop afwisselt, af en toe een grap maakt of simpelweg samen constateert dat het zwaar was. Door het gewoon te zeggen wordt het ineens de helft lichter. Dat alles was er nu niet voor hem.

Vandaag waren we gelukkig weer samen op de fiets, na een soort pressure cooker herstel-reces met pijnstillers, Kompressionsstrümpfe, 3x daags een ice-pack en zoveel mogelijk rust met het been omhoog. We hopen maar dat het goed gaat. Het profiel van de tocht laat zien dat we al snel moeten gaan klimmen. Dan weten we direct of het been het houdt. Ik kan zo weer terug, de trein in. De lucht is zwanger van het vocht, het ziet er nog somber uit, later moet het zonnig worden. Daar komt de eerste klim, 3%, 5%, een stukje 8%. Ik trap voor 80% met mn linker been om kracht te zetten, met rechts probeer ik zoveel mogelijk kracht te vermijden maar als het steiler wordt moet het toch ook aan het werk. Het gaat, ik voel geen pijn, ben voorzichtig, alsof ik op eieren rij, terugschakelen naar een zo licht mogelijk verzet. En ineens ben ik boven. De eerste zonnestraal valt op mn kop en zo voel ik me ook, het gaat gewoon. Niks BAT, gewoon samen fietsen en genieten. We rollen wat naar beneden, weer een beetje omhoog en weten dat er nog een tweede klim moet komen. In een bos gloreren we over een briljant fietspad naar beneden, tot het niet meer naar beneden gaat. Dit is de tweede klim en die is niet zachtzinnig. 8% hoor ik Fred al voor me roepen. 10%!! roept hij, oeff en voor ons ziet het er nog steiler uit. “Ik denk dat je zo moet afstappen, 12%” puft hij. Ik ploeter door op het verzetje waarmee Froome de Tour wint, alleen ik rij nog maar 5 km/u, hij 5 keer zo hard. Ik val niet eens om van het gebrek aan snelheid. Fred gromt voor me, hij schreeuwt ineens “17%!!”. Ik voel mn fiets achterover vallen, het voorwiel komt van de grond, ik kan nog net op tijd naar voren leunen. Mn linkerbeen perst de laatste snokken eruit, rechts moet wel mee, vol. Maar dan ben ik boven. Niets gescheurd, zo lijkt het, geen pijn, niks. Fred kijkt met verbazing om. “Eitje” zeg ik, opgelucht. We zijn weer in business.

19 juli, Hamelen, door Fred

We waren natuurlijk gewaarschuwd. Eerder zagen we Hamelen al aangekondigd en in Göttingen bleek ineens dat daar ooit de gebroeders Grimm doceerden. Toen ik gisteren net over de oude DDR-grens in Eisenach aankwam, dacht ik eerst aan Bach, Luther en andere, meer wereldse, zaken. Ook hier waren de Grimms. De Grimm-connection kende ik niet. Nu ben ik serieus van aard. Die over the top educatieve flauwekul van oude sprookjes is not my cup of tea. Toch gebeurde er iets bij aankomst in hotel Eisenacher Hof .De receptioniste is verkleed! Aardig, behulpzaam, maar belachelijk verkleed. Ze draagt klederdracht, ongetwijfeld iets lokaals en spreekt een taal met een toon, die niet van deze wereld lijkt. De cola die ik bestel komt niet in een glas, of blikje, nee, in een aardewerken kannetje. Met dito beker in een houten houder! Dan zie ik ook de andere hoteldames. Zo mogeliljk nog verkleder. Ik zit in een toneelstuk. Denk ik. Als ik de volgende ochtend het stadje in alle vroegte verlaat, zie ik een kat op zijn achterpoten staan. Is die nou gelaarsd? Ik wrijf mijn ogen uit, maar het beest is verdwenen. Al fietsend in de laatste bocht van Eisenach zie ik mijn echte ontbijt: een serieuze helling die een donker bos ingaat. Rechts boven me de beroemde Wartburg. Het is de burcht waar Wagners Tannhäuser zich láfspeelt: van de kunstenaar die al zingend kiest voor het zinnelijke, niet voor het verstand. Zoiets. Heftig, dus. Maar ik zie, al zwoegend, in de verte toch een dame voor het raam in de Wartburg?. Zij zingt niet, lijkt eerder te roepen uit het goeddeels overwoekerde kasteel. Een gevangene? Lijkt waratje Doornroosje wel? Onzin! Ik fiets door. Een driehoekig bord met 10% in het midden, dàt is een alarmroep. Deze ontsnapping uit Eisenach is een aanslag op mijn benen. Boven gekomen komt er gelukkig weer snel energie. Ik wil van het Thuringer Woud genieten. Prachtig oud woud. Mysterieus. Maar mijn Garmin hapert. Langs de weg staan een jongen en meisje. Ze komen uit het woud. Zien er al even absurd uit, als die meiden uit het hotel. Hij wil wat vragen. ‘Können Sie vielleicht ..”, maar de vraag verwaait in de vaart van mijn ontsnapping. Had ik die twee al niet eens eerder gezien? Dat grietje kwam me bekend voor. Vluchtelingen? Nog nauwelijks bekomen van de schrik schoot er vlakbij Bad Liebenstein een meisje over de weg. Het prachtige woud werd overstraald door deze schoonheid, die haar baljurk (?) met één hand ophield. In de andere hand één schoen. Waar haast die zich blootsvoets naartoe, door dit donkere bos? Dan is de afdaling voorbij, net als dit stuk woud. Mijn Garmin werkt weer. Gelukkig, anders verdwaal ik. Hij leidt me over de vlakte, langs het ene na het andere popperige dorpje met vakwerkhuizen en zoete kleuren. Tussen Walsungen, Wallbach en Walldorf  stroomt de Werra in zijn groene pracht als een heuse wonderbeek. Juist bij het binnenrijden van Walldorf denk ik aan Basil Fawlty die in Fawlty Towers desgevraagd  ‘We are out of Walldorfs” antwoordt als hij geen idee heeft wat de gasten vragen. Ik lach. Good old Basil. Hij heeft geen idee van de salade. Hier ook geen salade van de Astor familie, die echt uit Walldorf stamt, maar wèl …een pretpark: het Sandstein- und Märchenhohle. Als ik voorbij rij zie ik niemand. Ik hoor slechts het vrolijk – ongetwijfeld Duitse – wijsje; ‘Niemand weis, niemand weiss, wie ik heiss’.. Als ik in het Grimmeltal niet ver van Grimmelshausen de weg vol broodkruimels zie is voor mij de maat vol. Ik volg niet een partijtje broodkruimels, maar neem de kortere route via Obenberg. Een fatale fout. Obenberg ligt Oben. Heel erg Oben. Een helling. Ik moet afzien als, als …een beer. Mijn mooie Ortlieb-tassen wegen als lood . Op mijn Garmin staat vrolijk 10, 3 % stijging. Hij verspringt. Het wordt 12,2 en zelfs 13,0. Dertien procent, met een stalen fiets met vier tassen! Een lijdensweg. Honderden meters lang. Als ik bijna boven ben zie ik een jongeman langs de weg, met een fluit. Hij kijkt me meewarig aan. Ik rijd 5 km p/u. Zweet, Hijgen. Ik. Ga. Kapot. Hij wil iets vragen. “Kunt u mij  …”. Nog voor hij ‘Hamelen’ noemt, stop ik, stap af, gooi mijn fiets op de grond en been – oef! – op hem af. Als een heuse Basil Fawlty geef ik hem een ferme schop onder zijn kont (al heet hij geen Manuel). ‘Sodemieter op, met je sprookjes!!!” Straks komt je ook nog met de zeven geitjes en een wolf aanhuppelen!!” Hij: ‘ik wou alleen maar vragen:  ‘kunt u dit echt?’ En dan is hiuj weg. Als bij toverslag. Ik schakel en ben boven. Er staat één boom op deze godvergeten pukkel. Adem. Landschap. Stilte. Ik stop even voorbij de top: fotootje. En kan gaan afdalen. Via Dingsleven ga ik in volle vaart door naar Bad Rodach. Het hotel daar is gewoon een oude molen. Niks bijzonders. Na 101 km en bijna 1000 hoogtemeters ben ik ook wel klaar met sprookjes. Net als u. Enfin. Je moet toch wàt verzinnen onderweg? In je eentje.