RSS feed
2019

2019

Zwavelzuur, 8 juni, door fred

Krakau is de poort van het Zuid-Poolse bergland. En voor ons was de middeleeuwse poort van Krakau het eind van de negende F4F-Symfonie. De vreugde over de aankomst werd nadat ik uit het duister van de fraaie middeleeuwse poort reed meteen overschaduwd. Het krioelen van de toeristen, de al te herkenbare uitingen van die industrie en daarbij behorende platheid sloegen mij in het gezicht. En het felle zonlicht sneed door mijn ogen in mijn toch al getarte hersenen. De boosdoener daarvan heet: migraine. Sinds mijn dertiende levensjaar is dit een bij tijd en wijlen ongewenste begeleider van mijn leven. Tijdens de voorlaatste etappe op weg naar Niedzica kwam de sluipmoordenaar langzaam tevoorschijn. We waren blij dat het onderweg beter weer was dan voorspeld, met af en toe zelfs felle zon. Maar juist dat zonlicht irriteerde me. Dan weet ik dat er verhoogde dijkbewaking is. Daar helpt geen donkere zonnebril tegen. Het gif van de kortsluiting dringt langzaam de hersenen in en bezet je lichaam. Je weet het, maar kan het soms lang ontkennen. Dat lukt alleen als er geen sprake is van het zogenaamde ‘aura’; een kortstondige, wonderlijke verstoring van je zicht, met vlekken, flitsen of zelfs wiskundige patronen. Dan is het hopeloos. De vergelijking met kijken in een gebroken spiegel, of – voor de ouderen onder u – de kaart waar comboyserie Bonanza mee begon, die vanuit het centrum langzaam verbrandde. Als jongetje van dertien zag ik zo tijdens een schoolconcert plots de viool van de solist verdwijnen, daarna de solist, waarna het hele orkest een pandemonium van bewegende en verdwijnende figuren werd, met een zwerm van vallende sterren die alle kanten op bewogen. In mijn hoofd leek daarna een balonnetje zwavelzuur geknapt. De paniek en wonderlijke fietstocht naar mijn ouderlijk huis kan ik me nog levendig herinneren. Net als de troostrijke ontvangst door mijn moeder, die uit eigen ervaring wist wat er aan de hand was.

Ondertussen zat ik nog steeds op mijn Van Nicholas in het wiel van mijn kornuiten. Vanuit het vertrek uit Brezno Bystra werd een flink tempo onderhouden, onderbroken door pittig klimwerk. De irritatie van het zonlicht werd nu bijgestaan door een opkomende misselijkheid. Ik maakte mezelf nog wijs dat het gebak tijdens onze koffiepauze daaraan debet was. De herbergier van de ‘espressobar’ wees desgevraagd trots op zeven taartjes op twee plastic schalen. Precies genoeg voor ons. De licht geplastificeerd uitziende patisserie deed een rijke microbenwereld vermoeden. Deze flora voegde weinig aan de smaak toe, want die was er nauwelijks, of je moest het in het spectrum tussen muf en oudbakken zoeken. We stapten weer op voor een razendsnelle wielervlucht naar de lunch iets voorbij Poprad. Na die lunch voelde ik inmiddels na hoofd en maag ook intestinaal ongenoegen opborrelen. De darmen spelen op en dat maakt pas echt ongerust en onrustig als je op de fiets zit. Tijd voor een Tom Dumoulintje?, dacht ik nog. Bij een rotonde aangekomen waarschuwde ik Noud. Ik moet even. De nabijgelegen Lidl bood geen soelaas, het werd dus een rotonde-café. De gevel en architectuur verraadde geen fijnzinnige sfeer. En zo was het. Aan de bar stonden morsige en luidruchtige mannen met flessen bier. Het leek Bonanza wel. Verscholen achter een volgeladen toonbank een kleine, kalende man, met opvallende ‘saddlebags’ onder zijn oksels. Het rook er naar schraal bier, arbeiders van staalfabrieken en natte honden. ‘Toilet?’ vroeg ik wanhopig, nu mijn binnenste op ontploffen stond. Vanachter de repen, chocolade en croissants van vorig jaar wees een arm resoluut naar links. Ik spurtte, vertwijfeld over wat ik zou aantreffen. Het was…een dichte deur. Zat er iemand op? Kloppen. Geen antwoord. Nog meer kloppen. Geen antwoord. Rammelen. Deur op slot. Terug naar de bar, terwijl de uitbarsting aanstaande was. De okselman zag mijn wanhoop en zonder dat ik het vroeg toverde hij een sleutel tevoorschijn. Mijn redder! De sleutel paste op de deur. Opluchting. Ik inspecteerde koortsachtig het varkenskot, waar zowaar een pot, modelletje 1960 stond. Smerig. Is er papier? Nee! Wanhoop. De Etna begon vervaarlijk rookpluimen uit te scheiden. Terug naar okselman. In vijf talen probeerde ik ‘wc-papier’ uit. Niet zonder glimlach greep hij opeens een in ruw papier gewonden soort van papier, in zeegroene kleur. Zelden zal ik papier zo verwelkomt hebben. Het karwei werd daarna snel geklaard. Okselman kreeg zijn sleutel terug. Een blik van verstandhouding. Mijn Vielen Dank! leek hij geamuseerd te ontvangen. Vanuit het donkere hol beende ik naar buiten, naar het volle zonlicht. Oef! Mijn ogen. Noud stond nog steeds trouw op wacht. Ik stapte op zonder uitleg, in het besef dat woorden soms tekort schieten. Een nieuwe vijand speelde op. Na het hoofd, de maag en de darmen gingen nu ook de spieren licht protesteren. Een soort tinteling, die bijna als pijn voelt. De vermoeidheid sluipt dan in je lijf. En we moesten nog minimaal 60 km. Opgelucht maar ook balend voegde ik mij weer in het snelle lint van onze groep. Jaap had allang gezien wat er aan scheelde: die heeft het eerder meegemaakt. 

De volgende dag vanuit Niedzica naar Krakau was het bestand met mijn lichaam gesloten. En met de groep: geen strijd op de hellingen, maar berusting en genieten. Grappig dat het fietsen de strijd in mijn lichaam beïnvloedt. De chemische huishouding lijkt de migraine in te kapselen. Endorfinen? Dopamine? Serotonine? Een cocktailtje? Wie zal het zeggen? Maar de grootste hulp reed natuurlijk met mij mee. Zeven fietsmakkers. Op driekwart kracht kon ik de laatste etappe naar Krakau voltooien. Daar bleek mijn klein ongemak een futiel probleempje vergeleken met de verschrikkingen die ook deze stad in de Tweede Wereldoorlog bezochten. Erger dan zwavelzuur en zoutzuur bij elkaar. Veel erger. Mazzelaar die ik ben. Volgend jaar weer!

Fietsen door Krakow, 8 juni, door jaap

Krakow, eindtocht van onze reis dit jaar. De laatste etappe was een feest, nog een paar keer klimmen. Het begint met te bevallen, ik kan goed doortrappen. Zo goed dat ik, met Fred in mn wiel, hard rechtdoor omhoog rijd waar we linksaf hadden gemoeten. Ik zit heerlijk hard omhoog te fietsen, een mooi tempo zonder dat ik moe wordt. Fred voelt zich niet top en moet passen. Ik knal door omhoog, de mooie weg reikt zover ik kan zien voor me omhoog in het glooiende landschap. Pas na een kilometer of 3, 4 zie ik op mn Garmin dat Noud heeft gebeld. Dat is doorgaans slecht nieuws. En ja hoor, we zitten verkeerd. De heren zitten beneden bij een benzinestation. Fantastisch geklommen, de verkeerde kant op, telt niet. We krijgen er gratis een mooie afdaling van evenzovele kilometers voor terug. Bij de afslag gaat ook de goede weg gelukkig omhoog en ik trap even hard door. Dat voelt goed op de laatste dag. De anderen geloven het wel, ik voel geen strijd in de buurt. En zo tokkel ik vrolijk naar boven. Vandaar gaat het met het peloton op en neer naar Krakow. Op een grote snelweg fietsen we de stad in. Er blijkt een fietspad naast de snelweg te liggen en na enig soebatten nemen we dat maar. Een traktatie op Poolse verkeersmores, op het fietspad snelt iedereen links en rechts van elkaar. Voetgangers lopen aan alle kanten, er lijken geen regels of ze worden allom genegeerd. Er lijkt ook niet een ingesleten uitwijk reflex zoals we die in Nederland kennen. Als je een (race) fietser achter je hoort, al dan niet geholpen door bel of geschreeuw, vluchten voetgangers in Nederland standaard naar rechts. Bijna altijd dan, gaat wel eens fout, maar niet vaak. Hier niet. Men gaat naar links, blijft staan om om te kijken waar die herrie vandaan komt, probeert de weg nog wat nadrukkelijker te blokkeren. Hoe meer we de stad in komen, hoe groter de chaos. Af en toe tekent zich 50 m fietspad af, naast de tramrails of er precies op, dat vervolgens plotseling overgaat in een voetgangersgebied. Het grote plein in de oude stad voelt als een bevrijding, van de chaos maar bovenal: we zijn er!! Op een terras slaan we de aangezwollen toeristenstroom ietwat mistroostig aan, wat is het vol en druk. Sic gloria Europeae transit. Hier komt geen cruiseship aan en toch is het bomvol. Niettemin overheerst het goede gevoel: 1050 km gefietst, geen enkel ongeluk opnieuw, alles goed gegaan, fantastisch fietsen, nauwelijks slecht weer, een stukje Europa ontdekt, 8 dagen met de makkers fladderen en mooie gesprekken aan tafel. Ben, onze markante begeleider die naadloos in de groep past, stelt voor om morgen nog maar eens een fietstocht door Krakow te maken, met een Nederlands sprekende gids. We kijken wat meewarig, nog een keer fietsen? We hebben zin in op een terrasje rondhangen, gelukkig verveeld omdat we niets meer hoeven. Onze nothing-box wordt nog verder leeggeschept, Ook het fietsen wordt eruit gedonderd. Een zalig moment van leegte. Maar nee, Ben krijgt ons weer op de fiets. Met een groep jonge vrouwen uit Tilburg die hun jaarlijkse weekend uit hebben trekken we door de stad, aangespoord door een enthousiaste Poolse gids Claudia. Ze vertelt honderduit over Krakow, over wat we zien. We rollen langzaam door de stad, het verkeer geknoei van alles door elkaar voelt beter aan met deze snelheid. We komen bij het kasteel van Krakow waar Hans Frank, de gouverneur generaal van het door de Nazi’s bezette Polen zetelde. We lazen uitgebreid over hem in het boek East West Street, over zijn zoon die in het reine moet komen met wat zijn vader op zijn geweten had. Frank wilde Krakow de zuiverste stad van Polen maken, dat wil zeggen, zo veel mogelijk gezuiverd van Joden. We fietsen over het plein van de ghetto-helden, waar 68.000 Joden door de Nazi’s zijn doodgeschoten (“afgeschoten”, zegt Claudia, een woord dat wij niet gebruiken maar de werkelijkheid nog gruwelijker onder woorden brengt) of op transport gezet naar kampen. Er wonen nu nog 200 Joden in Krakow. We fietsen door naar de fabriek van Schindler, waar hij 1100 Joden redde door ze in zijn fabriek te werk te stellen, ook nadat ze naar een kamp een paar kilometer buiten de stad werden afgevoerd. Hij haalde zelfs 300 vrouwen uit Auschwitz terug die daar per ongeluk naar toegebracht waren. Bij de ingang hangen foto’s van de mensen die hij heeft gered. Zo krijgt fietsen door Krakow een heel andere lading. We zijn weer stil zoals we begonnen, onder de indruk van de heftige onmenselijkheid die hier woedde in de oorlog. Wat knaagt is dat het hier vandaag meer lijkt op een toeristenattractie, een verhaal over lang vervlogen tijden waar we fietsend, steppend, wandelend aan voorbij trekken. Het bevreemdt. Maar misschien is dat beter dan helemaal geen herinnering meer hebben aan die aller zwartste tijd. We gaan het jubileum jaar in van 75 jaar bevrijding. Laten we ons maar zoveel en zo vaak mogelijk herinneren, om ons te wapenen tegen het morele verval dat door boreale utopieen wordt aangekondigd.

Van de schoon- en troost(loosheid), 6 juni, door fred

Het is lang geleden dat de VPRO de serie ‘Van de schoonheid en de troost’ uitzond. De licht pathetische Kayser ondervroeg wetenschappers en kunstenaars met als centrale vraag: ‘vertel me wat dit leven de moeite waard maakt?’. Vandaag moest ik onwillekeurig aan die goeie vraag denken. Allereerst natuurlijk om dat dit al tien jaar durende avontuur met fietsen4fietsen zeker bijdraagt aan mijn verhaal over wat het leven de moeite waard maakt. Het fietsen, het avontuur, Europa’s mensen en landschappen, de kameraadschap; enfin, u kunt er al die blogjes van Jaap en mij op nalezen. Ook dat daarbinnen schoonheid als betekenis- of zingever voor ons een prominente rol speelt. Van het en groupe binnenrijden in Lausanne, de terrasweg met zicht op de kust van Kefalonia tot de oneindige afdaling vanuit Cazorla en de Spaanse schone amazone op paard – waar één van ons nog steeds niet over uitgepraat is – als ik eraan denk heb ik de esthetische sensatie zó weer terug. ‘Schoonheid is de belofte van geluk’, zei Stendhal. Wie zin in het leven heeft herkent dat onmiddellijk. Overigens, dàt schoonheid troost kan bieden weet ik al sinds mijn eerste kalverliefde. Dat je als jongeling in het leven geworpen ineens zó geraakt wordt door een mooi meisje dat voor jou de verabsolutering van geluk is, waardoor alle groeipijnen als bij toverslag verdwijnen; velen van u zullen het herkennen. Al zitten er ook vele Ina Dammans tussen. Maar dit terzijde.

Voordat u mij zelf Wim Kayseriaanse pathetiek verwijt, weer over naar de orde van de F4F-dag. Gisteren en vandaag wachtte na de oversteek van de Schöne Blaue Donau bij Bratislava allesbehalve een partituur met enkel de schoonheid als thema. Het was schoonheid en troosteloosheid. Slowakije is van beide doordesemd. De saaie vlakte tussen Bratislava en Levice herinnerde aan de Povlakte: vlak, veel vage lelijke dorpjes, industrie en een soort lelijke drukte. De belofte van de Tatra’s, de hoge en lage, werd daarna zeker ingelost. Prachtige bergen, mooie panorama’s, en wat een natuur! Vooral die velden vol met de echte koekoeksbloem, distels en orchideeën, met op de achtergrond de frisgroene bergen. Het is een simpel recept voor instant schoonheid, maar ook een ijzersterk repertoire van deze streken. Maar dan komt de lelijke stilte, die de lelijke drukte opvolgt. De massieve fabrieken voor ijzererts en andere zware industrie of mijnbouw horen bij het narratief van deze streken. Het is niet mooi, maar wel indrukwekkend. Maar gaandeweg werd de route via Banska Bystrica, Brezno en Poprad af en toe ook een boulevard van troosteloosheid. De industrie- en mijnbouwgebouwen leken eerder wrakken, aangespoeld op een schitterend strand. We zagen een grote hal vol met sloopijzer, op wagons waar de planten zich om de wielen wikkelden. En complexen die gebombardeerd leken, maar nooit waren opgeruimd. En dit is maar gebouw of infrastructuur – waar sommige hobbyisten nog van kunnen smullen – er was meer. De haveloze staat van sommige dorpen, de leegheid van die nederzettingen, de geur en kleur van het Oostblok, die is er nog. We zagen een morsige man met zware tas op een weg sjokken, weglopend van het nabijgelegen vervallen station, alsof zijn lief weer niet was aangekomen. Een verwilderde vrouw met baardje, alleen voor een wrakkig huis aan de rand van een voormalig dorp. De eenzaamheid van twee jongens met een (lekke?) voetbal op een leeg plein, die met open mond de karavaan van puike fietsjes uit een andere, rijke wereld zagen voorbijsnellen. En natuurlijk de Roma. Een groep die het moeilijk heeft in dit land. En dat zie je. Ze hangen op straat in dorpen waar geen Slowaak meer woont. Ze huizen in een paar oude woningen, op enige afstand van een ‘ècht’ dorp, met autowrakken als straatmeubilair. Ze leven apart en arm. Ze ogen niet gelukkig.

Kortom, ja er is en was veel schoonheid, fraaie natuur en het zonnetje brak vandaag ook door om het allemaal nog eens goed te belichten. Maar zo fietsend met onze fietscohort door dit boeiende land blijft naast de schoonheid die troosteloosheid hangen als smog op je huid. Met weinig schoonheid als belofte van geluk. Maar de schoonheid die er was, daar hebben we weer dankbaar en schaamteloos van genoten. Dat dan weer wel. 

Lost in translation, 6 juni, door jaap

D-Day vandaag en zo voelde het ook wel. Een etappe van tenminste 147 km met uitbreiding naar 155 km en extra beklimmingen. Onweer en regen dreigen de hele dag, dit zou wel eens een hele zware kunnen worden. Er is ook spanning in het peloton, we zouden vroeg ontbijten en op pad, maar die boodschap is Onno en mij ontgaan. Lichtelijk geagiteerd zitten we allemaal toch nog mooi vroeg op de fiets. We komen na 40 km aan in het gehucht Pohorela, het bordje centrum doet vermoeden dat we hier ook wel koffie kunnen krijgen. Het dorp blijkt een lang omhoog lopend lint met aan het eind een gebouw waar ik in de wonderlijke Slowaakse taal het woord espresso denk te ontwaren. Koffie. We zijn alleen te vroeg, het is 10.40 uur en de kroeg gaat pas om 11 uur open. In de supermarkt ernaast, kennelijk van dezelfde eigenaar en wel open, vragen we of we al binnen mogen voor de koffie. In vol Slowaaks wordt met de nodige misbaar gereageerd. Ik heb geen idee wat de man zegt. Een vrouwt schrijft iets op een briefje: 11.00. Dat stond ook al op de deur. Ik schrijf 10.45 op het briefje, als tegenzet in de onderhandelingen. Opnieuw misbaar, nadrukkelijk wijzen op 11.00 op het briefje. We druipen af en constateren dat de volgende koffietent 50 km verderop is. Toch maar even wachten. En dan, precies om 10.55 uur, gaat de kroeg open. Zonder een blik te vertrekken neemt de uitbater de bestelling op: 7 capuccino’s. De menselijke geest associeert eindeloos en ziet vaak niet-bestaande patronen (waarvan de meta-fysische vraag is of ze dan niet gewoon wel bestaan, omdat we ze nu eenmaal denken) en ik moet denken aan de wegwerker twee dagen geleden die volkomen nutteloos een stopbordje in onze richting priemt omdat op de andere weghelft wordt gewerkt hoewel er helemaal geen verkeer is. Het bord gaat omhoog, we moeten stil staan, uit de pedalen en dan maakt hij een achteloos gebaar dat we ‘stiekem’ toch wel achter hem langs mogen. Eerst weigeren, regel is regel, openingstijd is openingstijd, en dan toch, verholen haast toestaan dat we van de regel afwijken. Zit hier inderdaad een patroon? De taal helpt ook niet bij dit alles. Van de borden langs de weg snappen we helemaal niets. Geen woord herkennen we en het Hongaars dat er in het begin vaak onder stond biedt ook weinig steun. Een paar keer maakt een plaatsnaam met Horny erin vrolijke gedachten op. Ik zoek het op, Horny blijkt boven te betekenen. Er is ook een vrouwelijke variant, Horna, het is maar dat u het weet. Communiceren met mensen onderweg is praktisch onmogelijk. Ze verstaan geen woord Engels of Duits en het lijkt ook wel alsof elke verdere uitleg van wat we bedoelen, met handgebaren en al, alleen maar tot verwijdering leidt in plaast van wederzijds verstaan. We rijden zo door een soort niemandsland, er zijn wel mensen, hoewel niet veel: de meeste plaatsjes waar we doorheen rijden zijn vervallen en overwegend leeg. De enige communicatie die er is bestaat uit het doorgeven van een bestelling en het registreren in een hotel. En ook dat is een theater van misverstand. Als we in Galanta dinsdag voor het hele peloton capuccino/espresso en cola/fanta bestellen, komt er een capuccino en twee cola. En verder niks. De bedienster verdwijnt gewoon, gaat andere mensen bedienen. Pas als een andere vrouw langs komt lijkt het mogelijk ook de overige koffies en colaas te ontvangen. Als we in een hotel proberen de equipe van 9 man te verdelen over 6 gereserveerde kamers onstaat er steevast paniek. We moeten praten als brugman om in de kamers te mogen in de samenstelling die wij hebben bedacht: drie vaste slapies (Peter en Maurits, Noud en Cornelis, Onno en ik) en drie een persoonskamers (voor Fred, Simon en Ben, vanwege indringend snurken door Simon dat twee jaar geleden ernstig getraumatiseerde slachtoffers maakte in het peloton). Daar zijn we al snel een half uur of meer mee bezig, iedere keer. Vanavond spant de kroon, in Hotel Lokis, schitterend gelegen boven het Jezioro Czorsztynskie meer, net over de grens in Polen. De receptioniste doet een openingszet: vier dubbele kamers en 1 enkele. Nee, zeg ik, we hebben zes kamers gereserveerd. Ze kijkt me niet begrijpend aan. Staart naar haar scherm en zeg nog eens: vier dubbele kamers en een enkele, maar nu meteen vraagteken aan het eind, toch? Ik laat haar de boeking voor zes kamers zien op mn telefoon, maar ze lijkt geen idee te hebben waar ze naar kijkt. Six persons in three double rooms and three persons in three single rooms, probeer ik. De vertwijfeling in haar ogen stijgt tot ver boven de wenkbrauwen. Ze gooit het over een andere boeg: Address? Ik schrijf mijn adres op. Ze doet niets met het briefje, ze heeft geen idee wat er staat. Ik probeer het nog eens in het Duits, nog steeds geen verbinding. Ineens slaat haar benadering om en liggen er 6 kamersleutels klaar. Niemand hoeft zich in te schrijven, het is mooi geweest, ze geeft het op, meer kan van haar niet worden verwacht. Dezelfde jonge vrouw blijkt ook de bediening bij het avond eten te doen. We zijn de enige gasten in het hotel, althans in de eetzaal. Bestellen lukt, met het aanwijzen van het menu op de kaart. De gerechten worden per twee uitgeserveerd. Als de eerste zijn soep op heeft krijgt de laatste zijn salade. Zelfde met hoofdgerecht, behalve dat de laatste nu helemaal niets krijgt. Maurits, het slachtoffer, vraagt haar als alle andere bijna uitgegeten zijn toch maar: waarom komt mijn bestelling niet? Ze reageert met een boze John Cleese blik: jij hebt helemaal niets besteld!@! We zijn in Fawlty Towers beland. Ook dit lost zich weer op en om 21.10 willen we een toetje bestellen. Kitchen is closed, 9 o clock, horen we. HUH?? Keuken gesloten terwijl geen desert is aangeboden. Er komt geen uitleg, en wat er komt begrijpen we niet. We kunnen niets meer bestellen. Na een hernieuwde onderhandelingen met vragende blikken en wijzende handen weet ik er nog wat koffie en thee uit te slepen. 6 koffie en 2 thee graag. Ze brengt uiteindelijk 4 koffie en 2 thee en we zijn redelijk tevreden met dit resultaat. Ik zal u de discussie over de rekening besparen, waarbij de omzetting van Zloty naar Euro’s een nieuw onneembaar obstakel bleek. Zo Lost in Translation ben ik nog nooit geweest.

Gevoel, 5 juni, door fred

Gevoel. Het is geen mannenwoord. Dat zeg ik niet vanuit een soort hovaardigheid, maar het blijft ingewikkeld om met een groep mannen over gevoel te praten. Zo niet bij ons F4F-gezelschap. Wij weten het zelfs zo te plooien – we blijven mannen – dat het ook over ‘fietsen met gevoel’ gaat. Voor u uw laptop of computer afsluit, het is ècht een thema. Fietsen met gevoel is zelfs te leren!. U kon bij Jaap lezen hoe we relatieve nieuweling Simon moesten leren hoe je met gevoel een peloton aanvoert, opdat je niet steeds verbaasd tot de conclusie komt dat je wéér alleen rijdt. Dat je niet alleen kracht moet terugnemen, of juist moet aanzetten op momenten dat je bijvoorbeeld daalt, maar ook dat je ‘de groep moet voelen’. Iets wat ook Onno, Peter en ikzelf nog wel als aandachtspunt hebben. Het is eigenlijk intuïtie. Ik ben namelijk wel een fan. Je rijdt voorop, en hoort je makkers achter je. Een vermoeden van een rij wielrenners die zich moeten aanpassen aan jouw snelheid, stuurmanskunst en ‘gevoel’. Het is dansen zonder partner, maar op wielen. Met wat profs doen in een ploegentijdrit als absolute hoogmis van het rijden in een groep. Vandaag ging het over ‘op gevoel klimmen’ dat beter zou zijn dan met de tegenwoordige gadgetmetertjes. Cornelis en zeker Noud maken daarvoor beperkt gebruik van hun metertjes. Jaap enigszins, maar ook hij geeft de voorkeur aan het goed aanvoelen wat je moet doen en niet moet doen. Wanneer je gas moet terugnemen of juist versnellen. Zelf fiets ik ook met zo’n vermaledijde Garmin op mijn stuur. Snelheid, hartslag, stijgingspercentage, alles is afleesbaar. En toch weet ik, voel ik zelf meestal hoe de vlag erbij hangt. Je ademhaling, het zuur in de benen, de pijn in je spieren, de onrust of helderheid in je hoofd, al deze dingen maken dat ik uiteindelijk op gevoel inschat dat ik op koers zit. Dat ik het ga halen, soms op mijn gemak, soms als uiterste inspanning, waarbij je soms ineens besluit vol te gaan. Als bij toverslag. Vanmorgen in alle vroegte en heerlijk weer begonnen we vanuit hotel Golden Eagle aan een klim in het gebied van Stravnické vrchy, u weet wel. De aanloop vanaf Levice was al mooi, maar de beklimming sloeg alles. Prachtig groen, bos, doorkijkjes, vogels, planten. Dan juicht het in je hart, alles lokt en roept. Je denkt aan van alles, tot aan symfonieën toe. Je wil je geluk wel uitschreeuwen en denkt niet aan hard fietsen, maar gewoon op tempo dit alles naar binnen zuigen. Tot deze idylle – die al wel een beetje op de hielen werd gezeten door het  lichamelijk ongemak van de inspanning – wreed werd onderbroken door houtvesters, met motorzagen. Een contrapunt, zeg maar. Toen we onze weg vervolgden ging ik weer op zoek naar dat heerlijke gevoel. Maar in plaats van daartoe mijn gevoel te volgen, ging ik steeds harder fietsen. Sterker nog, op mijn Garmin verschenen kritische waarden. Zo bleven alleen Simon en ik als hijgende postpaarden over, op het prachtige asfalt naar een vermoedde top die ergens moest liggen. Simon gelooft niet in metertjes, rijdt op gevoel en doet dat niet ‘met mate’. We monsterden elkaar, zonder dat expliciet te maken. Zo gaat dat. Tussen het hijgen door vielen halve zinnen, of alleen woordjes. Je raakt dan langzaam aan niet alleen een beetje los van elkaar, maar ook van de bekoring van de berg. Bij mezelf merkte ik niets meer van symfonie, meer iets van hardrock of heavy metal. Op zoek naar het gevoel niet meer te kunnen verbaasde ik mezelf echter…door nog steeds wel te kunnen. Soms lukt dat. Door en door en door. Op de top van mijn kunnen is overigens niet op de top van mijn gevoel. Tot ik eindelijk boven was en in een bocht neerstreek, zwetend, ademend, maar zó voldaan. De hartslag daalde snel, het landschap begon weer te stralen en ik zag dat het goed was. En toch was er ook dat ‘normale’ prestatiegevoel – is dat wel gevoel? Eerste boven, al was het natuurlijk geen wedstrijd, toch?. Toen mijn klimcompagnon een paar minuten later naast mij remde zag ik de verbazing: ‘wat heb jij geslikt?’. Niets. Maar ook: niets mannelijks is mij vreemd: het was een heel basaal gevoel dat mij dreef. Winnen. Niets meer, niets minder. Dàt gevoel. 

Dialectisch fietsen, 5 juni, door jaap

Vandaag dan de etappe die de contrast-etappe van gister aankondigde. Een echte vette etappe: een stevige lange klim en de middag in de regen met veel korte, pittige stukjes omhoog. Door de these van de niet-memorabele etappe van gister treedt de anit-these van de alleszins memorabele etappe van vandaag aan het licht. Die dialectiek is in feite de rode draad door ons fietsen. De inspanning en soms de pijn van het klimmen lokken een reactie uit van ontspanning en zelfs ook genot, het genot van de moeiteloze snelheid tijdens het dalen. Daarom is fietsen tegen de wind ook zoveel zwaarder dan klimmen. Aan elke klim komt, op redelijke afzienbare afstand, een eind waarna de daling alles weer goed maakt. Terwijl je uren tegen de wind in kunt fietsen als die verkeerd staat, zonder enige beloning. Als je een rondje fietst zou het op een gegeven moment beter moeten gaan maar ook dan kun je pech hebben dat op de terugweg de wind is gedraaid, weer tegen. Tegen de wind in fietsen heeft iets anti-dialectisch, de wisselwerking ontbreekt te vaak. Door de wisselwerking van het klimmen en dalen komen we steeds weer ergens anders. We keren nooit terug naar waar we geweest zijn, de wisselwerking van tegenstellingen brengt ons steeds weer verder. Panta rhei, zei Heraclitus al, alles stroomt. Je kunt niet twee keer in dezelfde rivier stappen. Dat is echte dialectiek. These leidt tot anti-these die leidt tot een nieuwe synthese die these en anti-these omvat en dus niet hetzelfde kan zijn als de oorspronkelijke these. De synthese leent zich wel weer voor een wisselwerking met een nieuwe anti-these. De materiele werkelijkheid en onze samenlevingen, en ons denken daarover, ontwikkelen zich tot op zekere hoogte dialectisch. Tijden van grotere vrijheid worden afgewisseld met tijden van grotere beperking, maar dan wel in een werkelijkheid die door de grotere vrijheid, door innovatie en wat dat allemaal meebrengt is veranderd. Tijden van geloof in het goede, de inspiratie van de mens die ruim baan moet worden gegeven, worden afgewisseld met tijden van angst voor hoe vernietigend de mens voor anderen en de wereld kan zijn en daarom moet worden beteugeld. Tijden van eendrachtigheid in het peloton, van fietsen in een goed tempo om samen zo efficient mogelijk voortgang te maken, worden afgewisseld met tijden bol van zelfexpressie, competitiedrang, als eerste boven willen zijn en een algeheel negeren van de mede-fietsers. Het omslagpunt is moeilijk te voorspellen. Het kan een heuveltje zijn dat de Olifanten prikkelt. Of de laatste vijf kilometer van een etappe. Dialectiek zit met name in de hoofden van de Berijders, de Olifanten hebben zo hun eigen werkelijkheid. Wie gister nog heel sociaal voor een ander reed, krijgt het vandaag op zn heupen en biedt met ieder de strijd aan. Op de lange klim vanmorgen had ik me voorgenomen om met Maurits een mooie rustige klim te doen. De rest van de troep was met open gesperde ogen en monden al ver vooruit gedenderd. Tot de “rescue wagen” in de baan kwam, in de vorm van een ploeg mannen die struiken langs de weg omzaagden en de weg blokkeerden. De wedstrijd werd geneutraliseerd, we haalden de strijdvaardigen weer bij die bij de versperring bananen en ander lekkers stonden te peuzelen. Maurits zag als een fietsende Max Verstappen zijn kans schoon om al wandelend met de fiets in de hand gewoon langs de versperring te lopen, een anti-these tegenover het brave wachten in de pitsstraat door de strijdvaardigen. Torn de weg eenmaal schoongeveegd was, ontspon de synthese zich als een grote inhaalrace om zo snel mogelijk de berg op te komen. Verderop weer bij Maurits aangekomen was De Olifant in mij niet in staat terug te gaan naar de these van samen met Maurits omhoog fietsen, die werkelijkheid bestond niet meer. Er werd hard doorgeklepperd. Fred verslaat uiteindelijk Simon, een these waar Simon de hele dag niet over uitgesproken raakt en die morgen ongetwijfeld tot een stevige anti-these van zijn zijde zal leiden. We zijn benieuwd naar de synthese. Noud en ik trappen er stevig achteraan, maar zonder strijd dit keer, een synthese na de zetten en tegenzetten in onze strijd van een paar dagen geleden. En zo fietsen wij dialectisch verder, naar telkens nieuwe werkelijkheden. We kunnen er geen genoeg van krijgen.

Lek, 4 juni, door fred

Als kind mag je in kabouters geloven. Als volwassen vent is dat uit den boze. Daarmee sta ik voor een immens dilemma: want er gebeuren vreemde dingen. Al sinds de eerste dag gebeurt het mij om de haverklap: een lekke band. En niet zo maar een, nee een zuivere klapband. Muzikaal gezien begint fenomeen met het geluid van een zachte metronoom in mijn achterwiel. Tik-tik-tik-tik, waarbij het adagio langzaam overgaat in con passione. Pats!! Het orkest in mijn band zakt ineen als een plumpudding, Mijn band hangt als een afgeschudde slangenhuid om mijn velg. Het wiel begint dan te zwabberen – het is een afdaling – en voorzichtig manoeuvreer ik het ijzeren ros naar de berm. Op de eerste dag was het nog business as usual. Niet zeuren, bandje wisselen en weer verder. Maar na de vierde lekke band in drie dagen begint het te knagen. Want ondanks alle oculaire inspectie, het zorgvuldig voelen van de velg en het met de grootst mogelijke omzichtigheid weer vervangen van het bandje, steeds weer bracht het hatelijke metronoompje zijn tergende muziekje ten gehore. Zelfs de aanwezigheid in het F4F-peloton van de directeur van het Concertgebouw, een tenor van de pedalen, mocht niet baten om de boel tot de orde te roepen. ik werd er horendol van. Voor mijn geestesoog zag ik een horde minuscule kaboutertjes druk in de weer tussen band en velg. Met hamertjes, vrolijk fluitend dynamietstaafjes plaatsend en dan giechelend wachtend op de afdaling waarop – zoals in de beste Disneytekenfolms – op de dynamiet ontsteker werd gedrukt en er ineens beeldvullend  een WHAMMMM!-ster verscheen. De grootste kabouterlol. En wij simpele zielen maar inspecteren, voelen en elkaar verbijsterd aankijken. Wat is hier gebeurd? Want de velg voelde weer zo glad als een pas geslepen schaatsijzer. Niets, nada, nakko te zien. Gisteren was het summum. Op de binnenplaats van een foeilelijk Oostblokhotel in Bratislava deden begeleider Ben en ik een laatste poging. Met operatieve precisie haalden wij de band er weer uit, deden de vertrouwde inspectie, zagen géén kabourtjes – dat kan ik bevestigen – noch enige andere onregelmatigheid en gooiden er weer een verse binnenband in. Met als extra een stukje tape op een soort laspunten in de velg,waarover reeds een plakkertje was aangebracht. Zoals ik zei: een ware operatie. We keken elkaar aan en dachten dat het goed was. E basta! Het werd: e bomba! Het wiel met de nieuwe band werd zorgvuldig geplaatst, de band lichtejes opgepompt en voorzichtig rondgedraaid, waarbij wij met kromme rug en brildragend op decimeters boven de band hingen, alert op de minste afwijking (of kabouter). Tot ik iets voelde. Iets dat je zou kunnen omschrijven als ‘een voortrilling’. Die werd gevolgd door het metronoompje, met een grand finale die voorspelbaar is. Pats! . Er zijn veel rare dingen gebeurt in de geschiedenis van Bratislava, maar dit mysterie van deze lekke banden moet toch ergens in de annalen van deze stad aan de Donau een plekje kunnen vinden. Na een half uur had de halve equipe van F4F zich gebogen over dit raadsel. Ik opperde nog dat er in deze Fulcrum-1 velgen – afkomstig van Campagnolo met dito referenties – misschien een velglint zou helpen. Een ouderwetse oplossing, was de riposte. Vanmorgen is Ben – ‘dit heb ik nog nooit meegemaakt’- bij de Decathlon geweest. De fietsenmaker daar schijnt drie seconden naar de velg te hebben gekeken en toen te hebben gevraagd waar in hemelsnaam het velglint was gebleven. Velglint? Uhhh, op een moderne Fulcrum velg? Enfin, die zit er nu wel op. Morgen gaan we zien of we in kaboutertjes moeten geloven. Vandaag mocht ik een dagje racen op de reservefiets, de Specialized Roubaix van Jaap. Een soort rijdende fauteuil met remmen. En twee wielen waar muziek in zit. Geen explosies. Heerlijk 140 km gedaan met de groep. Bijna 30 gemiddeld. Zonder velglint, zonder lekke band. Morgen gaan we de bergen weer in. Als ik in de eerste afdaling op mijn eigen Van Nicholas weer lek rijdt ga ik in kabouters geloven. U bent gewaarschuwd. 

Contrast-etappe, 4 juni, door jaap

Vandaag een vlakke rit, over 141 km. “Er komen maar twee afslagen,” zei Peter, “ waarvan de tweede de oprit naar het hotel is.” Cornelis heeft van tevoren uitgerekend dat we de etappe zullen rijden met een gemiddelde snelheid van 29,3 km/u. We rijden uiteindelijk gemiddeld 29,7 km/u, met tegenwind, we zijn beter dan Cornelis algoritme! Alsof we thuis een rondje door de polder gaan fietsen. Vlak, voorspelbaar, rechte wegen, uren lang hetzelfde uitzicht van wiegende billen en draaiende benen voor je en een witte streep van de weg die maar onder je door blijft glijden. Zo’n tocht keert mij, en ik denk ons allemaal, een beetje naar binnen. Je zit daar maar uren te zitten op je fietsje, je draait een prettig herentempo, er is niets in de omgeving dat je opvalt of afleidt (nou ja, Peter stopt een keer langs de weg om een foto te maken van een grote Samsung fabriekshal die in the middel of nowhere staat, je moet toch wat), en dan gaan de gedachten naar binnen. Niet dat er dan iets bijzonders wordt gedacht, door mij in ieder geval niet en aan de conversaties aan de lunch merk ik ook niet dat anderen tot grote inzichten zijn gekomen. Was ik gister nog aan het fladderen en was dat fladderen tijdens het fietsen een bewuste gedachte, nu zijn ook mijn gedachten aan het fladderen geslagen. Ze hebben vrij af, ze hoeven niets te analyseren of doordenken, ze hoeven niets te verzinnen, ze geven er stralend de brui aan: je zoekt het zelf maar uit vandaag. Er komt wel eens een flarde van een gedachte het bewustzijn in fladderen, maar het fladdert er even snel weer uit en in ieder geval blijft geen enkele gedachte lang genoeg rondhangen om er iets zinvols van te maken. De nothing box waarin mannen bij voorkeur verblijven in optima forma (zie The Tale of Two Brains op Youtube). Zoals ieder van ons in zichzelf gesloten is, zo rijden we ook met elkaar: in gesloten formatie, strak achter elkaar, geen ruimte op de wegen waar het verkeer voorbij raast om naast elkaar te fietsen en een praatje te maken. Een opleving als je een tijdje op de kop mag fietsen, dan moet je even aan de bak en richt alle concentratie zich op het fietsen, de snelheid vasthouden en vooral ook niet stilletjes aan steeds harder gaan rijden omdat het zo lekker gaat. Dienend fietsen. En daarna weer terugzakken in de formatie, rustig ronddraaiend. Een formatie waarin de lijven nagenoeg op automatische piloot worden aangestuurd door de motorcortex die subtiele signalen in verandering van snelheid en richting in de mannen voor je split-second omzet in aanpassingen in eigen snelheid en richting. Als een zwerm vogels in de lucht die zonder hierarchie de meest wonderlijke bewegingen gecoordineerd uitvoert, zo rollen wij door het Slowaakse landschap, wijken uit voor auto’s die van opzij de weg op lijken te schieten, draaien we over rotondes en ontwijken we putten en scheuren in de weg. Het stemt de Olifanten in ons onbewust gelukkig als hun Berijders ze eindelijk eens een dag met rust laten. U ziet, ik probeer er nog wat van te maken, van zo’n etappe als die van vandaag. Maar in werkelijkheid bestaan sommige etappes in onze tochten eigenlijk niet om en vanwege zichzelf, maar bieden zij slechts contrast aan de andere etappes. Doordat vandaag zo vlak, voorspelbaar, uneventful was komen alle andere etappes tot volle glorie. Doordat we vandaag hebben gefietst komen de andere etappes scherper in zicht. Met nieuwe waarderende blik herinneren we ons de omgeving en het klimmen in Oostenrijk. Met sterkere anticipatie kijken we vooruit naar de etappes door de Lage en de Hoge Tatra die we de komende dagen nog voor de boeg hebben. Dat zijn we vast weer snel vergeten als we morgen vloekend worstelen met 15% stijging, maar voor nu is dat een memorabele gedachte over een bepaald geen memorabele etappe.

Twee bergen, een gedachte, 2 juni, door Fred

Bij vertrek uit Leoben voel je de zwarigheid van ijzererts in deze stad. Onze fietsjes zijn inmiddels van carbon of, in mijn geval, titanium, maar de geschiedenis van zware industrie ligt als een ijzeren gordijn over deze stad.  Dat ons hotel Living Campus heette was dan ook een gotspe. Het had Ertshotel, of Living Metal moeten heten. Maar dit terzijde. We vertrokken in de volle zon en wisten wat ons te wachten stond. Twee zware cols en een verraderlijk knikske op het eind. Zo’n dag begint dan al met een jongensachtig steekspel. Want ‘we doen geen wedstrijdje, maar wel wie het eerste bovenop de berg is’. Dat soort hele en halve grappen hoort bij de codes van ons MAMIl-peloton – voor wie het niet weet: Middle Aged Man in Lycra. Maar in de rijke ontwikkeling van het F4F-peloton is veel meer aan de hand. Wij schuwen niet de introspectie, de ontdekking en zelfs het persoonlijke. Zoals trouwe volgers weten lezen we daartoe ieder jaar één of twee boeken, waar wij bij de avonddis onze ‘persoonlijke reflectie’ op geven, dat is: gerelateerd aan ons persoonlijk. Het maakt die merkwaardige testosteronwereld van mannen niet per se vrouwelijk, maar wel zachter en enorm geestig en geestrijk. En voor allen iets dat wij zorgvuldig koesteren. Ik zal het proberen te illustreren met de etappe van vandaag. Op weg naar Kirchberg beginnen we de eerste klim bij Allerheiligen. Een klim met een lange aanloop en venijnige slotkilometers, volgens het profiel. Onno en de druistige Simon rijden voorop. Beiden krachtpatsers, met dito stijl van fietsen. Helaas loopt de schijfrem van Simon aan. Hij heeft assistentie nodig van Ben. Een kopgroepje met Cornelis, Noud, Peter, Jaap en mij vormt zich achter Onno. En dan komt de olifant in mij los. Als bij toverslag besluit ik ineens naar Onno te rijden. Ik demarreer, zo gezegd. Niet veel later rijd ik alleen, nadat ik ook Onno heb achtergelaten. De beklimming is steil, mijn hartslag gaat omhoog, net onder de kritische waarden, maar ik rijd door. Als ik in een bocht omkijk zie ik geen Onno meer, wel de onverwoestbare stilist Jaap. Zal ik wachten? gaat door me heen. Toch ga ik door. Harder zelfs. Een tandje erbij, op de grens van wat ik mezelf nog toesta. Links-rechts-links. Ik draai als de ijzerertsfabriek van Leoben: zwaar zuchtend, stomend en zo efficiënt mogelijk. Ik beken: ik wil als eerste boven komen, doorgaan, mijn grenzen voor de zoveelste keer verkennen. Waarom? Dan vlakt de weg af. Er komen vlakke stukken. Ik rijd vol door op het grote mes. Achter me zie ik niemand. Als ik over de top ben en even wacht, komt Jaap aan. We dalen samen. Ik voel opluchting dat ik het nog kan, maar voel ik me ook blij? Niet echt. De tweede berg is anders. De top van de Feistritzsattel ligt op 1286 meter hoog. Bij de aanloop besluit ik deze keer met een groepje naar boven te rijden. Geen wedstrijdje met mezelf en anderen. Peter, Cornelis, Noud en ik blijven samen. Simon is al door met Onno. En Jaap is bij Maurits gebleven. Na enige pittige stukken moeten Peter en Cornelis het laten lopen. Het tempo verder laten zakken doe ik niet. Ik blijf met onze wegkapitein Noud over. ‘Kom op, Noud, blijf in mijn wiel!’. Met een blik op mijn hartslagmeter rijden we gebroederlijk naar boven, als een ware stoommachine. Ik voorop, de druk in de gaten houdend – geen hogere hartslag dan 160 deze keer- en Noud hijgend en puffend achter me. Stevig doorzettend in een lekker tempo. Wat een bikkel. We halen de top samen. Noud klopt me hard op mijn rug, zegt ‘dank je’ al weet ik niet wat te antwoorden. Ik voel me blij, omdat we het samen deden. Dan schiet het boek van Jonathans Haidt door mijn hoofd. The Righteous Mind, een absolute aanrader. Even zonder poespas: Haidt presenteert het beeld van Homo Duplex. De mens die zowel zelfzuchtig is als deel wil zijn van de groep, of: het grotere geheel. Letterlijk: “we all have the capacity to transcend self-interest and become simply a part of a whole (..) it’s the portal to many of life’s most cherished experiences’. Ik weet zeker dat ik die meesterlijk mooie beklimming met het groepje en vooral Noud me veel langer ga herinneren dan die prestatie op die eerste berg. Niet omdat ik niet ambitieus zou zijn, of competitief, maar omdat de gelukkigste, mooiste momenten gebeuren in wat Haidt ‘the in-between’ noemt. Samen dus. De klop op mijn rug van Noud voel ik nog. Wat twee bergen beklimmen je kan leren.  

Fladderen, 3 juni, door jaap

Wat een heerlijke dag. Een dag zonder iets bijzonders, iets buitengewoons, iets dat opvalt, waar je bij stil blijft staan, dat binnenkomt of waar je de grootste lol om hebt. Nou, misschien dan Fred zijn volgende lekke band, heel vreemd, Fred rijdt zelden lek. Kostte veel tijd maar dat werd allergemoedelijkst in de schaduwen van een bosrijke afdaling ondergaan. Alsof het de gewoonste zaak van de de wereld was, we rommelen een tijdje met de band, vier toeschouwers die af en toe een helpende hand reiken, anderen die op enige afstand een praatje maken. We zijn de rust zelve, een lange dag voor de boeg, de zon schijnt, wie maakt ons wat? Eigenlijk was vandaag een dag van algeheel welbevinden, zonder pieken en dalen. Ja er werd wel wat geklommen, maar niet overmatig veel. We dachten zelfs de afslag naar de enige klim van betekenis te hebben gemist en moesten vervolgens 15 km om de heuvel heen fietsen, waardoor we eigenlijk niet hoefden te klimmen. Nou, dat hebben we geweten. Al gauw was het weer stijgen boven de 10% en dan beginnen de jochies van F4F toch een beetje te piepen. 15 km voor niets omgefietst. Maar ook dit werd allemaal goed verteerd, er werden kleine wedstrijdjes gefietst, met best aardige maar toch niet allesomvattende inzet van het type ‘de dood of de gladiolen’. En we fietsten door het lieflijke Nederoostenrijk, met bekoorlijke heuvels in vele kleuren groen, soms wat omhoog en dan weer fijn naar beneden. Ook niets om aanstoot aan te nemen of om ‘awestruck’ tot stilstand te komen bij zoveel schoonheid. Gemoedelijke dorpjes onderweg die ook op maandagochtend de indruk wekken de zondag te vieren, zoals Peter constateert. Het leven kabbelt hier aller comfortabelst verder, en onze tocht ook. Fred gooit nog wel even de turbo erop, probeert verloren tijd goed te maken, het peloton amechtig in zijn wiel. Maar niemand die zegt dat het wel wat minder mag, ook deze versnelling wordt stoicijns geincasseerd. We lunchen na 100km onder een prachtige en vooral schaduwrijke kersenboom langs de weg, waar Ben een rijke tafel heeft klaar gezet. Het hoogtepunt van de lunch, echt, vormt inmiddels de kop Nescafe Gold die we aan het slot krijgen voorgeschoteld. Onvoorstelbaar dat dat vroeger met alle dagreizen en kampeertochten standaard meeging. Het is niet te drinken, maar als een gebruik na drie lunches tot een traditie wordt dan moet zij geeerd worden. Iedereen wil na de Nescafe in ieder geval heel graag weer op de fiets, dat is een nuttige bijkomstigheid. In een herentempo rijden we de laatste 45 km naar Bratislava, buitengewoon prettig. Simon probeert nog wel op kop hard tempo te maken maar wordt vriendelijk gewezen op de techniek en deugd van het rijden in dienst van de groep. En zo fladderen we het laatste stukje langs de Donau Bratislava binnen. De hele dag fladderen we maar wat, en als ik eerlijk ben, eigenlijk de hele tocht en al die acht vorige tochten fladderen we maar wat. In totale vrijheid en onbezorgdheid fladderen, met niet meer verantwoordelijkheid dan samen aankomen. We hebben allemaal op zn tijd wel wat menselijke en zakelijke beslommeringen die ons bezig houden maar het fietsen dempt ze. Door onze gesprekken leren we ze meer en meer samen te dragen, waardoor, ook als het diep zit en moeilijk is, we elkaar wat lichter maken. Je bent maar een bofkont, schreef iemand me vanavond. En zo is het, bofkonten zijn we dat we deze allergewoonste en daarmee spectaculaire fietsdag mogen beleven. Dat we zo mogen fladderen.