RSS feed
2019

2019

Strijd, 2 juni, door jaap

Mensen die mij kennen weten dat ik denk dat ik heus niet zo vreselijk competitief ben. Natuurlijk, ik wil ook best eens een keer winnen, maar altijd moeten winnen, nee zo ben ik niet. Echt niet. Nou is dat best wel lastig als je op de racefiets zit. Het hele fietsen gaat eigenlijk maar om een ding, winnen. Zelfs als het niet een wedstrijd is wordt er toch steeds strijd geleverd. In Nederland gaat het dan over wie het eerst bij t plaatsnaambordje is, wie t eerst bovenop het viaduct is, wie de ander uit het wiel kan rijden en ga zo maar door. Wedstrijdjes te over, waarna we elkaar bij de koffie vriendschappelijk op de schouders slaan. De apenrots is bestegen, de posities zijn bepaald, de vrede is weer gekeerd. Omdat er zoveel verschillende wedstrijdjes binnen een tocht te winnen zijn ontstaat ook een ragfijn selectiespel. Waar zet je op in, welke wedstrijd wil je winnen? En, vooral ook, letten de anderen even niet op zodat ik er van tussen ben zonder dat ze nog een kans hebben. Naast gewoon fysiek de sterkste zijn komt er zo een forse dosis goochem bij het fietsen kijken, een cognitief-intuitieve vaardigheid, die deels onder woorden is te brengen, en zich deels alleen maar uit in handelingsvaardigheid, in beslissen en gaan in het moment. Wij van Fietsen4Fietsen hebben deze strijdvaardigheid volledig omarmd. Officieel zijn onze tochten geen wedstrijd, het is een ervaringstocht zeggen we dan, het gaat om het reizen, het in het landschap zijn, de kameraadschap op de fiets, het goede fietsen noemen we het ook wel eens. Laat u niet in de luren leggen. Onder dit dun laagje vernis, gaat een rauwe competitieve werkelijkheid schuil. Tijdens een gemiddelde dag op de fiets worden minstens twintig wedstrijdjes uitgevochten, soms wel vijftig. Vanzelfsprekend wie het eerste boven is op ieder als zodanig aangeduide col, dat ligt voor de hand. Maar er is zoveel meer gaande. Het gaat niet alleen om wie er als eerste boven is maar ook of je voor, met of na de man boven komt voor, met of na wie je altijd boven komt. Wedstrijdjes binnen wedstrijdjes. Elk glooiend landschap is verder goed voor een reeks aan tussensprintjes op elk bultje. Ook afdalingen zijn goed voor harde strijd, ook al doen we net alsof we inmiddels een stuk rustiger zijn geworden. Boven de 80 zat ik gister, al die jaren nog niet zo hard gegaan. Maar de echte wedstrijd blijft natuurlijk wie het eerste boven is. Sinds Simon mee doet is dat een moeizame strijd geworden, voor mij althans. Fred wil nog wel eens het gevecht aan gaan maar ik leg het af. Goede derde is ook leuk en ik was toch al niet zo competitief. Daar komt tegenwoordig ook fysiek ongemak bij. Als ik me vol in de strijd gooi kan ik er donder op zeggen dat ik boven van duizelingen van mn fiets val, en dat voelt niet aangenaam. Iets met bloeddruk. Dus ik hou me in, ga niet op mn allerdiepst en haal niet steeds door, en kan dat dankzij dit ongemak met opgeheven hoofd doen. Soit, zou je denken. Maar de strijd verplaatst zich in mij, blijkt nu. Ik zit me over het algemeen prettig in te houden en fiets de bergjes in mn eigen tempo op, maar soms doe ik dat niet. Dan is de Olifant in mij sterker dan zn Berijder die hem in toom probeert te houden (Jonathan Haidt, The Happiness Hypothesis dat we tijdens onze allereerste tocht lazen), wat die Berijder ook probeert. Een zo’n moment had ik op de eerste klim vandaag. Na een geweldig stuk Oostenrijk over fantastische boerenweggetjes in een vallei die erg doet denken aan de Shire van de Hobbits, komen we terecht op een echte ploert. Met stukken van 17%, dan kraakt alles. Noud zat achter me en zag zn kans schoon. Hij voelde dat hij me voorbij kon en mn Berijder zei: niet vechten, hou je in. Daar ging Noud, stoempend, hijgend, met groot geweld. Een meter, drie meter, tien meter, vijftig meter liep hij op me uit. En toen vlakte de berg af. Terug naar 10% en dat liet de Olifant zich geen twee keer zeggen. Het gas ging er vol op, de Berijder had niets in te brengen. Noud kwam weer dichterbij. Ik ging hem zo hard mogelijk voorbij, wil nog wel eens helpen als je dan toch in een wedstrijdje blijkt te zitten. En kwam voor Noud boven. Yes!! dacht de Olifant. De endorfines deden hun zalvende werk, van duizelingen niets gemerkt. De Olifant had de Berijder vakkundig verslagen. Noud zei na afloop dat hij zich ook geweldig had gevoeld toen hij mij voorbij ging en wegreedt. Het was van korte duur, maar toch. En zo strijden wij voort, ik vooral ook met mezelf. Ben blij dat de Olifant af en toe nog gewoon zn gang gaat, hard uithaalt en de Berijder beteuterd op het asfalt achterlaat.

Ploert, 1 juni, door fred

Vandaag een makkie. Tussen Aigen en Leoben wacht ons slechts één echte berg. We zijn dus wat balorig. Onno en Noud beginnen als van de weeromstuit met een ongenadig tempo: gewoon omdat het zo lekker is. Even warm draaien. Al snel komen de eerste voorzichtige protesten. ‘Hé, jongens!’ Er wordt wat aarzelend achterom gekeken. Zelfs Simon – toch ook een klepperaar – vindt deze opening wat teveel van het goede. De trendbreuk komt definitief bij een lekke band. In de volle afdaling sta ik ineens leeg. Eerst een geluidje, dan voel ik het schudden. Remmen, heel voorzichtig. Jongens! En dan daalt de rust over de groep. Maurits en Noud helpen mij uit de brand waardoor we in no time verder kunnen. Daarna is als bij toverslag het tempo ‘genormaliseerd’. We zijn weer kameraden op reis. Het bestand van de lekke band. Na de koffie op 50 km wacht ons de klim naar Eisenerz en Präbichl. Een lange aanloop beginnend bij ongeveer 250m boven zeeniveau, eindigend met een echte klim naar ruim 1200 meter. Maurits neemt wat voorsprong. Hij rijdt graag alleen. Snel nadat de rest opstapt vaart de onrust in het peloton: er komt een klassiek Onnootje. Hij spuit weg met die krachtige tred. Zonder wat te zeggen. Gewoon: boem! Al snel raakt Onno uit zicht. Simon wordt onrustig. Peter kent zijn pappenheimers: ‘maak je niet druk, die zien we zo terug’. Terwijl we door de meest prachtige valleien rijden, waar het groen lokt en roept dat het een aard heeft. En ik van vinkenslag naar koekoeksroep rijd (dat zegt verder niemand wat, dus ik zwijg). En dan wordt het Simon teveel. Hij versnelt, ook hij altijd met een krachtige tred. Ik pik aan. De rest van de groep denkt als Peter, al weet men dat ze Simon en mij niet snel terugzien. Jaap doet het ook even rustig aan. Kop over kop rijden Simon en ik naar Onno, die vervolgens achter ons blijft rijden. De verraderlijke stukjes vals plat en lichte stijging nemen we met het grote blad. Tot een stuk asfalt deze arrogantie straft: het gaat serieus omhoog. We zwoegen en zwijgen. Onno verdwijnt geluidloos achter ons. Hoog boven ons zien we een brug. ‘Een snelweg’, wensdenk ik. Daar moeten we toch niet naartoe? We laveren tussen de 9 en 10 procent stijging. Hartslag 178 tikte ik even aan. Simon schokschoudert omhoog. ‘Wat een ploert!’: kan hij nog net uitbrengen. Kop over kop wurmen we ons naar boven. Dan even rechtsaf. Die brug! ‘Ja, we moeten eraan geloven’. Ik let alleen nog maar op mn hartslag: 171-172-174-171-170 enz enz. Zou dit wel kloppen, deze getallen?, denk ik nog. Beneden ons zien we Onno ploeteren. De rest van de mannen zit ergens tussen de bomen. Arme Maurits. En dan denken we boven te zijn. We minderen tempo. Het zweet gutst op onze fietsen. En de klim… hij gaat door. In een wat lager tempo rijden we hem uit. Bovenop, net voorbij Präbichl zwaait onze begeleider Ben. Lunch! Na circa 12 minuten volgt Jaap, die alsnog hard de berg is opgereden. Iedereen volgt daarna, met een eigen verhaal. Maar het echte verhaal van de berg haalt Noud letterlijk naar boven. Er was iets met een Totenmarsch 1945-bord, onder de top. Hij fietst even terug. Blijkt dat hier op de berg aan het eind van de oorlog meer dan 200 Hongaars-Joodse dwangarbeiders zijn afgeslacht door een Eisenerz ‘Volkssturm’-groep. Nadat ze eerst hier naartoe waren gehaald om een verdedigingslinie tegen de het Rode Leger te bouwen. Plots moesten ze van de nazis terug naar het Mauthausen Konzentrationslager. Dit waren de Dodenmarsen, want velen werden hierbij gedood. De ergste slachting was op deze berg. Onze hele klim naar deze top krijgt een macaber, ijzingwekkend kader. De ploert was deel van de genocide, was het ewrkterrein van echte ploerten. Ons boek van dit jaar, ‘East West Street’ van Phillipe Sands, gaat over de veroordeling van de grootste ploerten. Neurenberg. Tijdens onze afdaling in duizelingwekkende vaart tolt het woord Totenmarsch als een van metaal op metaal herhaalde dreun door mijn hoofd. Alsof we keihard wegvluchten van weer een verschrikking. Allesbehalve ‘een makkie’.

Onmenselijk, 1 juni, door jaap

We wisten waar we aan begonnen, fietsen van Salzburg naar Krakow. Fietsen door zwaar beladen Midden Europa, waar oorlogen zijn gevoerd, volken zijn verbannen en uitgemoord, waar de lidtekens van het zwartste deel van de menselijke geschiedenis nog zichtbaar zijn. We lezen erover in het indrukwekkende boek East West Street van Philip Sands. Over twee juristen uit dezelfde plaats Lemberg of Lvov of Lviv, afhankelijk van welk land het stadje deel uit maakte, zo’n 300 km van Krakow. Juristen die beide een theorie ontwikkelen, de een over misdaden tegen de menselijkheid, erop gericht om wandaden tegen individuen te kunnen berechten, de ander over genocide, om het uitrooien van bevolkingsgroepen strafbaar te stellen. In het proces tegen Nazi’s in Neurenberg speelt uiteindelijk alleen de eerste theorie een rol bij de veroordeling van oorlogsmisdadigers. Na East West Street lees ik nu The Nuremberg interviews, interviews die de Amerikaanse psycholoog Leo Goldensohn hield met verdachten als Goering, Hess, Von Ribbentrop en Schacht. En ook met Hans Frank, de Gauleiter in Krakow, die uitvoerig wordt beschreven in East West Street en met wiens zoon Sands uitgebreid spreekt. De verdachten proberen Hitler en anderen (Goebbels en Himmler) het misdadige van het Nazi-regime in de schoenen te schuiven, en willen en kunnen tegelijk hun adoratie voor Hitler niet ontkennen. Ik lees de interviews met Rudolf Hoess, kampcommandant van Auschwitz die droogjes vertelt hoe in Auschwitz 2,5 mensen mechanisch, als in een productiebedrijf, worden vermoord. In opdracht van Himmler die zegt het bevel van Hitler uit te voeren, aldus Hoess. De onvoorstelbare onmenselijkheid van het regime is tijdens onze tocht nooit ver weg. Tijdens onze klim vandaag zien we vlak onder de top een monument ter nagedachtenis van 200 joden die daar zijn doodgeschoten door de Volkssturm van Eisenertz, het dorpje bij de staalmijn aan het begin van de klim. De joden werden in doden-marsen uit Hongarije hier naar toe gedreven om een verdedigingslinie tegen de Russen te bouwen en toen dat hopeloos werd, verder gedreven naar het concentratiekamp Mauthausen, noordelijker in Oostenrijk. Net als vorig jaar toen Fred en ik langs Bergen-Belsen fietsten en het concentratiekamp daar bezochten, komt de werkelijkheid van wat mensen kunnen aanrichten hard binnen. En het is overal. Een paar dagen geleden was ik bij de opening van het Holland Festival met het indringende stuk The Head & the Load, over een vergeten stuk geschiedenis van hoe de koloniale machten in Afrika 2 miljoen mensen gebruikten als dragers van materieel in hun oorlog waar deze mensen niets mee van doen hadden en die allen stierven door geweld, ziekte, ondervoeding, door algemene onverschilligheid. Ergens in het stuk zegt een acteur: “We do not have names. They do not call us. They count us.” IJzingwekkend. In mijn werk ben ik vaak bezig met hoe organisaties weer menselijker moeten worden en hoe we meer op mensen dan op systemen en regels en procedures moeten durven bouwen. Maar de allerdonkerste schaduwzijde van de mens is zo ontstellend en vermorzelend dat je haast niet meer op de mens durft te vertrouwen. De magistrale regels van T.S. Eliot uit The Rock uit 1934 krijgen hierdoor nog een diepere lading: “They try to hide from the darkness outside and within, By dreaming of systems so perfect that nobody needs to be good.” En toch, en toch zullen we het van mensen, van onszelf moeten hebben om menselijk te blijven of zelfs weer te worden. Alleen mensen kunnen de inspiratie brengen van hoe we groter kunnen zijn dan we uit ons zelf zijn, alleen mensen kunnen de liefde voortbrengen die nodig is om anderen als mensen te zien. De ander als voorwaarde voor mijn eigen, menselijke bestaan, aldus Levinas. Over Levinas spraken we al eens tijdens een prachtige, gezamenlijk afgelegde klim in Spanje of Griekenland, een filosofenklim. Ik zie erg uit naar weer zo’n klim ergens de komende dagen, misschien morgen al wel, als de ene na de andere pukkel op ons wacht. Een filosofenklim als antidote. Samen klimmen om te leren begrijpen wat het is om een mens te zijn.

Chinaglens, 31 mei, door Fred


Wij van F4F kennen geen grenzen, maar vandaag wel. Wij gaan dwars door Europa en trekken ons van geen grens wat aan. De fiets is tenslotte het meest universele vervoersmiddel dat er bestaat. Het meest humane ook. Dus toen wij uit de barokke truttigheid van Salzburg vertrokken waren wij zo gezegd universeel en humaan. En kwetsbaar, dus. Al fietsend over de brug baden wij ons niettemin schaamteloos in die herkenbare sympathie en bewondering van de toeschouwer, die zelf is overgeleverd aan toeristisch klatergoud, of is gevangen in wafel- of Nutella-dampen. ‘De leegheid van die levens schokt me’, is het bekende Tim Krabbé citaat, dat alleen voor een renner als waarneming volstrekt begrijpelijk is.
Wij oogsten overigens alleen bewonderende blikken. De oogopslagen van hen die dit ook willen, of hadden gewild. Maar niet konden, of durfden. Dat is de confabulatie van de renner, want velen observeren ons vol afschuw, en niet alleen vanwege snelheid en fietsgedrag: ‘gekken!, idioten!, uitslovers!, of erger. Vanuit een andere wereld schrijven Jaap en ik echter de blijde boodschap van het fietsen met F4F, ieder jaar, ieder jaar weer blogjes (voor weer een boek, de vorige twee had u al bij bol.com gekocht toch?). Wat een genot! Alles doordesemd van die liefde voor de fiets. En van het avontuur om over grenzen te gaan.
En zo raasden wij na Salzburg door de vallei met toverachtige namen als Fuschl Am See, Sankt Wolfgang im Salzkammergut, Bad Ischl en Aussee. En bij Aussee ging het dus mis. Wij snelden naast een weg over één van de linke fietspaden. Verderop stond een bus. Over de rug van Onno heen zag ik mensen oversteken. Het leken parachutisten die net geland waren: gedesoriënteerd om zich heen kijkend. Toeristen! In het bijzonder: Chinezen. Met camera’s en mobieltjes de wonderen van Europa vastleggend. Gedropt in een Oostenrijks dorpje met een meer. Volstrekt in hun wereld.
Een fractie van een seconde flitste het beeld van een oud TV-programma Poets – u weet wel, met de verborgen camera – door mij heen. Een Chinees met een fiets (!) in een bos, de weg kwijt. Verbaasde maar hulpvaardige omstanders vragend: ‘Chinaglens? Chinaglens?’ Ondertussen van links naar rechts wijzend. Dat was veertig jaar geleden. Nu was er gevaar! We belden en brulden deze kluwen Chinezen-zonder-fiets tot de orde. Niks te Chinagrens! Oppassen, wegwezen van het fietspad. Huawei-spionnen! Duizend bommen en granaten, Bashi-Bezoeks! (geleend uit Kuifje in China). De totale verschrikking, verbijstering op die gezichten. Alsof ze op safari plots werden overvallen door olifanten, in dit geval natuurlijk gazellen.
Enfin, zo’n vaart liep het niet. En wij waren ook geen Kaptein Haddocks op de fiets. Nee, wij zijn beschaafde fietsers, niettemin verrast door de vervreemdende ervaring van een groep Chinezen op een fietspad ergens in Oostenrijk, die ons daar collectief in de weg stonden. Er zijn natuurlijk grenzen. En wij zijn weer op weg. Heerlijk!

Kokos, 31 mei, door Jaap

De kop is eraf, F4F is weer onderweg. Een koude start vanmorgen in Salzburg, 11 graden, de mouwtjes aan bij onze dunne nieuwe shirts. En de jackies mee, want de buienradar laat regen in de buurt zien. Het plezier is groter dan de zorg om het weer en daar gaan we, fluitend door de stad waar we twee jaar geleden eindigden. Buiten de stad gaat het al snel omhoog, langs een grote weg met veel verkeer. Af en toe een stukje fietspad maar veel ook op de rijweg, waar auto’s, vrachtwagens en motoren ons voorbijscheuren. Wennen aan het gedender, dat iedere fietservaring wegvaagt. Dan maar van de weg af, een boerenweggetje dat nogal stevig omhoog gaat. ‘Dit vind ik maar niks” zegt Peter, een verhelderend commentaar. ‘Gewoon doorzetten op de weg en niet steeds die stukjes omhoog langs de weg, we moeten nog 1.000 km mannen.’ Maurits, altijd al van de onverwachte fiestpaden en doorsteekjes, gaat toch voorop. ‘Nou een keer dan, maar dat is het dan ook’ verklaart Peter, een herhaling van de Povlakte in 2017 wordt in de kiem gesmoord. Het blijkt een mooi paadje dat zelfs na een kort stukje omhoog, steil naar beneden gaat. Daar komen we allemaal goed weg. Een lekke band van Fred luidt na 45 km de koffie in, in Strobl. Buiten voor een konditorei, nog steeds wat koud maar de Kuchen smaken goed. Om nog wat bij te sterken voor de klim die komt eet ik nog maar eens een kokos-reep, heerlijk. Mn favoriete smaak, kokos. Op mn 8e mn eerste kokosijsje gegeten op Langeland in Denemarken sindsdien voor het leven verkocht. Mn vingers ruiken nog wat naar kokos en ik lik ze af. BILLENVET!!!! Ook van kokosgeur voorzien dit keer. Waarom zou dat in vredesnaam zijn, billenvet naar kokos laten ruiken? Er doemen beelden op die het fietsen niet bevorderen. Het smaakt in ieder geval niet naar kokos, weet ik nu, het smaakt bitter, blijkt, nogal. Deze bijzondere ervaring leidt enigszins af van het vooruitzicht van de klim die eraan komt. Een stevige, gemiddeld 9% over 7 km. Simon rijdt droestig voorop, ijzersterk dit jaar. Het snode plan om hem er direct de eerste klim af te rijden zodat ik de rest van de week kan ontspannen valt al na 200 m in duigen. Bijtend omhoog. T gaat best, maar t vraagt ook wat. Heb sinds vorig jaar een hartslag meter in mn apparaatje en dat behoedt voor overmoedig fietsen. Jammer eigenlijk. Onno volgt Simon sterk, Fred daar achter. Ik ben nog verder achter maar zet aan. Wat gaat dat hart te keer, zou het ook zo hard zijn gegaan zijn al die keren dat ik mn hartslag niet kende? Als een boom in het bos omvalt en er is niemand in de buurt die het hoort, maakt het dan geluid? Smaakt billenvet naar kokos als je het niet proeft? Bestaat iets alleen als het waargenomen wordt? Deze metafysische twijfel over het niet-waargenomen bestaan geeft me extra energie om naar het wiel van Fred te rijden. Wat een heerlijke klim, ik neem het waar dus het bestaat.